Posts tonen met het label Het Ontstaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Het Ontstaan. Alle posts tonen

Het Ontstaan

Het ontstaan is reeds een hele tijd geleden opgestart met artikels die ik verkregen had van Marc Sunaert, de artikels stonden online sinds 8 oktober 2002, in blogvorm stond het online sinds 8 mei 2004 als Skynetblog.

De Soemerische kleitabletten en hun verrassende inhoud
Het verhaal van de Annunaki en het ontstaan der mensheid ( auteur: Marc Sunaert )
Wie heeft volgens onze wetenschappelijke geschiedenis onze buitenste planeten ontdekt?

De astronomische geschiedenis vertelt ons over de gelauwerde wetenschappers en hun ontdekkingen van hemellichamen.

Uranus werd ontdekt door Friedrich Wilhelm Herschel in 1781.

Johan Gottfried Galle spoorde in 1846 de planeet Neptunus op.

Pas in 1930 werd Pluto ontdekt door Clyde de Tombaugh.

Maar is dat wel zo?

Annunaki

De Soemerische kleitabletten en hun verrassende inhoud
Het verhaal van de Annunaki en het ontstaan der mensheid ( auteur: Marc Sunaert )
Wie heeft volgens onze wetenschappelijke geschiedenis onze buitenste planeten ontdekt?
De astronomische geschiedenis vertelt ons over de gelauwerde wetenschappers en hun ontdekkingen van hemellichamen.

Uranus werd ontdekt door Friedrich Wilhelm Herschel in 1781.
Johan Gottfried Galle spoorde in 1846 de planeet Neptunus op.
Pas in 1930 werd Pluto ontdekt door Clyde de Tombaugh.
Maar is dat wel zo?

Ontdekt of herontdekt?
In Berlijn, meerbepaald het Pergamon museum, in de afdeling Voor-Azië onder het catalogusnummer VA/243 ligt een oeroude sterrenkaart. Reeds 6000 jaar geleden, was er reeds iemand die in staat was ons zonnestelsel correct en op schaal voor het nageslacht vast te leggen op een rolzegel.
Waar had die persoon de kennis vandaan?

Henry Austen Layard kreeg in 1840 van het British Museum de opdracht om opgravingen te gaan doen aan de Tigris. Een heuvel die door de inheemsen 'Birs Nimrud' werd genoemd, bleken de overblijfselen te zijn van een heel oude Assyrische stad te zijn, Kalku (Kalne) ooit een militair centrum. In de buurt van Mosul ontgroef Layard de stad Nineve die haar luister aan koning Sanherib te danken had – de heerser die volgens de Bijbel bij het beleg van Jeruzalem door een engel des Heren naar zijn vaderland werd terug geroepen (2Kon. 18, Jes. 36).
In die zelfde tijd legde de Fransman Paul Emile Botta bij Chorsabad een vijf etages tellende piramide bloot, een zogenaamde Zigurat. Ganse bibliotheken aan kleitabletten werden er gevonden. Ze verhalen de geschiedenis van de koningshuizen en van het land, het ontstaan van ons zonnestelsel, alsook het scheppingsverhaal. De inscripties zijn in het Akkadisch. Een man die er zijn levenswerk van gemaakt heeft om al de teksten op deze tabletten grondig te ontleden en te linken aan andere oude geschriften, religie en mythes, is de sumeroloog Zecharia Sitchin.
Wachten op bevestiging.
Gespannen zat Zecharia Sitchin naar het scherm te staren, wachtend op de beelden, komende uit de ruimte, door Voyager2 verzonden. Beelden van Neptunus die nu door de mens voor de eerste maal aanschouwd werden.
Een paar maand terug had Zecharia Sitchin en artikel geschreven waarin ie de beschrijving weergaf, hoe Neptunus er zou uitzien. Hij voorspelde dat de planeet een blauwgroene kleur zou hebben en stroken met moerasachtige vegetatie zou vertonen en dat er bovendien water zou zijn.
De beelden bevestigden zijn stelling, ze lieten een blauwgroene, waterige planeet zien, omgeven door een atmosfeer van helium, waterstof en methaangas, rond gesleurd door winden met hoge snelheden. Beneden de atmosfeer ontwaarde men geheimzinnige reuzenvlekken die soms donkerblauw tot groengeel waren, waarschijnlijk afhankelijk van de invalshoek van het zonnelicht. Neptunus bleek hitte uit te stralen vanuit zijn inwendige. Tevens werd er vastgesteld dat Neptunus een rotsachtige kern had waarboven een blubberig mengsel van ijswater stroomt, terwijl men dacht dat het een gasplaneet was. Op dezelfde wijze had hij ook het uitzicht van Uranus voorspeld. Ook deze planeet had een blauwgroene kleur, ook hier was er water aanwezig en niet alleen een bevroren laag ijs, maar een oceaan van water. Alhoewel de planeet door een gasatmosfeer omgeven wordt, kookt daaronder een immense laag (10.000 km dik) van oververhit water (4500 c°). Deze laag heet vloeibaar water omgeeft een kern van gesmolten gesteente, waarin radioactieve elementen een enorme hitte produceren.
Inderdaad alles was zoals de Soemeriërs hadden beschreven, duizenden jaren voor Christus.

Het verhaal over het ontstaan van ons zonnestelsel

Hoe was het mogelijk dat de Soemeriërs vanaf hun prille bestaan deze kennis bezaten.
De verhalen van de Soemeriërs gaan als volgt. Toen het stelsel nog vrij jong was, was er de Zon (APSU= Zij die van het begin af bestond), zijn kleine metgezel Mercurius (MUM.MU= Een die geboren is) en verder weg Tiamat=Maagd die het leven schonk). Het zonnestelsel expandeerde geleidelijk door de geboorte van drie planetaire paren, Venus en Mars tussen MUM.MU en TIAMAT, het reuzenpaar Jupiter (KI.SHAR=grootste van het vaste land) en Saturnus (AN.SHAR=grootste des hemels) aan de andere kant van Tiamat en verder daar vandaan Uranus (ANU=god van de hemel) en Neptunus (E.A=Hij wiens huis water is).

Dit jonge stelsel was nog zeer onstabiel, toen, ongeveer 4 miljard jaar geleden, drong een indringer binnen. Volgens de oude geschriften kwam hij uit de diepe ruimte. Toen deze onze buitenplaneten naderde werd hij naar binnen getrokken. Het was de eerste buitenplaneet Neptunus, die met zijn gravitatiekrachten Nibiru (indringer) aantrok. De tekst zegt hierover: ‘hij die hem pakte was E.A.’.
Nibiru werd beschreven als een verschijning om nooit te vergeten: schitterend, verleidelijk, verlokkelijk, trots en goddelijk. Toen hij Neptunus op korte afstand passeerde, sprongen vonken en lichtflitsen over tussen de twee planeten. Nibiru had waarschijnlijk zijn eigen satellieten. De teksten spreken van zijn volmaakte ledematen…. Moeilijk te ontdekken, vier waren zijn ogen en vier waren zijn oren.
Bij de passage begon één kant van Nibiru op te bollen, alsof hij een tweede hoofd had. Was dat misschien het moment dat de bobbel eraf werd gerukt en Neptunus zijn maan Triton ontstond? Iets dat in die richting wijst, is het feit dat Nibiru in een retrograde baan ons stelsel binnendrong in tegenstelling tot de andere planeten die in tegenwijzerzin om de zon draaiden.
Nog meer satellieten ontstonden toen Nibiru Uranus naderde. De teksten vermelden dat ANU vier winden voortbracht en deze behield. Hier refereert men duidelijk dat de vier manen van Uranus werden gevormd tijdens de bijna botsing en die tevens Uranus deed kantelen. Verderop wordt beschreven hoe Nibiru zelf nog 3 satellieten extra bij kreeg en hoe hij, na te zijn gevangen in een baan om de Zon, opnieuw de buitenplanten tegenkomt en ze daarbij vormt tot het huidige stelsel. Na Neptunus en Uranus gepasseerd te zijn, werd Nibiru steeds meer naar het midden van het planetaire stelsel getrokken door de invloed van de immense aantrekkingskracht van Saturnus en Jupiter.
Toen Nibiru/Marduk (werd door de Babyloniërs verpersoonlijkt met hun god Marduk) Saturnus naderde en zijn oorlogspositie innam, kusten de twee planeten elkaars lippen. Vanaf dat tijdstip werd de omloopbaan Van Nibiru/Marduk veranderd. Mogelijk werd de hoofdsatelliet van Saturnus, GA.GA (Pluto) weggetrokken in de richting van Mars en Venus, een richting die slechts mogelijk is als gevolg van de retrograde kracht van Nibiru/Marduk. Ronddraaiend in een wijde elliptische baan, keerde Gaga terug naar de verre uiteinden van ons zonnestelsel. Tijdens zijn slingervlucht kwam hij onder invloed van Neptunus en Uranus. De nieuwe baan werd onder invloed van deze laatsten vastgelegd waarbij Gaga (Pluto) met zijn hellende baan hem soms tussen Neptunus en Uranus brengt.
De nieuwe omloopbaan van Nibiru/Marduk richtte zich nu op Tiamat. Het jonge zonnestelsel was nog heel onstabiel, zeker het gebied van Tiamat. Door het schommelen van de planeten werd Tiamat door twee reuzen achter elkaar en twee kleinere planeten tussen haar en de zon in vele richtingen getrokken. Een gevolg hiervan was het losscheuren of het zich rond haar samenpakken, van een bende satellieten, ‘woedend van razernij’ verhaald de tekst. Deze satellieten, ‘brullende monsters’, waren ‘gekleed in verschrikking’ en ‘gekroond met halo's’, driftig bewegend en rondcirkelend als waren zij ‘hemelgoden’ (planeten). Heel gevaarlijk voor de stabiliteit en veiligheid van de andere planeten was Tiamats ‘leider van de bende’, een grote satelliet KIN.GU (Hoge afgezant) die tot bijna planeetgrootte uitgroeide en op het punt stond om zijn onafhankelijke bestemming te verkrijgen (eigen omloopbaan). Tiamat was zeer onder de indruk en koos hem uit om tussen de hemelgoden te zitten.
Verder in de tekst: ‘Er ontplooide zich een hevige strijd’, toen de gravitatie- en magnetische krachten zich in de strijd mengden. Dit leidde uiteindelijk tot de botsing van Nibiru/Marduk met zijn 7 satellieten (winden) en Tiamat met haar bende van 11 satellieten aangevoerd door KIN.GU.
Ze koersten in tegengestelde richting op elkaar af, toch hebben beide planeten elkaar niet geraakt, een feit van enorm astronomisch belang. Het waren de satellieten of ‘winden’ (de Soemerische omschrijving: ‘Zij die zich aan de zijkanten bevinden’) van Nibiru/Marduk die zich in Tiamat boorden en in botsing kwamen met haar satellieten.
1ste fase: Hij positioneerde de vier winden zodanig dat niets van haar kon ontsnappen
De Zuidenwind, de Noordenwind,
De Oostenwind, de Westenwind.
Hij hield het net dicht bij hem,
Het geschenk van zijn grootvader Anu die voortbracht
De Duivelswind, de Wervelstorm en de Orkaan…
Hij zond de winden uit die hij had geschapen
De zeven van hen; om Tiamat van binnen te treffen
Zij rijzen op achter hem.
Voor hem uit bracht hij de bliksem in stelling
Hij vulde zijn lichaam met een felle vlam
Daarna maakte hij een net om Tiamat daarin te vangen…
Een schrikaanjagende halo verscheen als een tulband rond zijn hoofd
Hij was omgeven met een angstwekkende afschrikking als Omwikkeld in een mantel.

Toen beide planeten en hun satellieten elkaar dicht genaderd waren dat Nibiru/Marduk het binnenste van Tiamat kon onderzoeken en het plan van Kingu kon doorgronden, viel Nibiru/Marduk Tiamat aan met zijn ‘net’ (magnetisch veld?) om ‘haar te omarmen’ en met bliksemstralen te bestoken (‘heilige bliksem’). Tiamat ‘werd omhuld door een intense schittering’, waarbij zij werd afgeremd, oververhit raakte en ‘opzwol’. Gapende kloven verschenen in haar korst, waaruit stoom en vulkanisch materiaal ontsnapte. Hierin schoot Nibiru/Marduk een van zijn satellieten, de Duivelswind. Hij boorde zich in Tiamat’s buik, sneed door haar inwendige organen en spleet haar hart. Haar leven werd gedoofd, het werd ook noodlottig voor haar manen, alle sneuvelden behalve Kingu. Gevangen in het net, verbrijzeld en in stukken gebroken werden de leden van de bende van Tiamat uit hun koers geworpen en met geweld in tegenovergestelde banen gedwongen: ‘door vrees verlamd keerden zij zich om en vluchten weg’. Hieruit kunnen de kometen ontstaan zijn die ons dan periodiek een bezoek brengen. Volgens de geschriften is op die manier Kingu beroofd van zijn onafhankelijk worden ‘Nibiru/Marduk ontnam hem zijn bestemming’. Hij werd veranderd in een DUG.GA.E ‘een massa van dode klei’, in omvang afgenomen, zonder atmosfeer, water en radioactief materiaal en ‘met boeien geketend’ om blijvend de satelliet van Tiamat te worden.
De Soemerische tekst laat er geen twijfel over bestaan dat Nibiru nu in zijn nieuwe baan rond de zon draait.
Hij doorkruiste de hemelen en controleerde alle streken,
En Apsu’s gebied mat hij op;
God (Nibiru/Marduk) mat de dimensies van Apsu op.

Bij de terugkeer in zijn nieuwe omloopbaan stevende hij terug op Tiamat af, ‘plaats van de hemelse strijd’

2de fase
De heerser stopte even om haar levenloze lichaam te bekijken.
Hij verzon toen een listig plan om het watermonster op te splitsen.
Toen als een mossel, splitste hij haar op in twee delen.



Met deze actie bereikte de schepping van de ‘hemel’ zijn laatste fase en nam de schepping van aarde en maan een aanvang. Het bovenste gedeelte, haar schedel werd geraakt door de Noordenwind. Door de impact werd Tiamat en ook Kingu in een volledig nieuwe omloopbaan geworpen, waar voorheen nog geen planeet geweest was, nu de Aarde (Tiamat) en de Maan (Kingu).
Het andere deel van Tiamat werd door de inslag verbrijzeld in stukken en brokken , ‘haar staart werd aan elkaar gesmeed’ om een soort armband in de hemel te vormen.


De stukken aan elkaar smedend,
Als een uitkijkpost positioneerde hij hen…
Hij boog Tiamats staart tot een Grote Boog
Als een armband

Hier leest men hoe de Grote Band of de asteroïdengordel is ontstaan.
Verder door de ruimte kruisend gaf hij Uranus en Neptunus hun uiteindelijke uiterlijk. Volgens de geschriften kreeg ook Gaga/Pluto op deze wijze zijn uiteindelijke positionering in ons stelsel. Gaga/Pluto kreeg hierbij ook een nieuwe naam: US.MI (hij die de weg aanwijst) de eerste planeet die men tegenkomt wanneer men ons stelsel binnentreedt van buiten af.
Moderne astronomie en recente ontdekkingen bevestigen dit duizenden jaren oude verhaal.

Genesis

In het oude Babylon was Marduk een dualistisch godheid. Fysiek aanwezig werd hij aanbeden als ILU (in de bijbel vertaald met ‘God’, maar letterlijk betekent het ‘Verhevene’). Zijn machtsstrijd leidde naar tal van nederlagen en catastrofes voor de mensheid. Aan de andere kant was hij ook een hemelse godheid, een planetaire god, die in de hemelen zich de eigenschappen, de rol en de eer toeeigende van de oerschepping, dat wat de Soemeriërs toebedeeld hadden aan Nibiru (steeds uitgebeeld als een gevleugelde schijf).
De Asyriërs die Marduk vervingen door hun nationale god Assur, combineerden die twee aspecten en beelden Assur af in het midden van een gevleugelde schijf. De Hebreeërs volgden trouw op aangepaste wijze. Zij predikten het monotheïsme en onderkenden, gebaseerd op de Soemerische wetenschappelijke kennis, de allesomvattendheid van God. Toch wisten zij op ingenieuze wijze het probleem van het dualisme en de veelheid van Annunakigodheden betrokken in aardse gebeurtenissen, op te lossen door een enkelvoudige, maar tevens meervoudige eenheid te verzinnen, niet een EL (het hebreeuwse equivalent voor ILU (God)) maar ELOHIM, een schepper die meervoud is (letterlijk ’Goden’) en toch Eén. Waarom afstappen van het Babylonisch en Asyrisch religieuze gezichtspunt. Dat kan alleen worden verklaard uit het feit dat de Hebreeërs zich ervan bewust waren dat de godheid die tegen Abraham en Mozes kon spreken en de hemelse god die de Soemeriërs Nibiru noemden, wetenschappelijk gezien niet één en de zelfde waren, alhoewel beiden wel deel uitmaakten van een universele, permanente en alom aanwezige God, ELOHIM, in wiens grootse ontwerp van het universum het pad van iedere planeet van tevoren is bepaald en dat wat de Annunaki op aarde gedaan hadden, was dan ook een van tevoren geplande missie. Aldus heeft zich het werk van een universele God geopenbaard in de hemel als op aarde.
Deze diepzinnige inzichten, die de kern vormden van de bijbelse acceptatie van het scheppingsverhaal, Enoema Elisj, kon alleen worden verkregen door het samenbrengen van religie en wetenschap, daarbij in de verhalen vasthoudend aan de wetenschappelijke basis.
Met de onmetelijkheid van de ruimte als decor, begon de Mesopotamische versie aldus het beeld van de oertijd te schetsen:

Toen in de hoogten de hemel nog geen naam had
En beneden de aarde nog niet was benoemd
Niets was er behalve de oer-Apsu, hun verwekker,
Mummu, en Tiamat, zij die hen allen baarde.
Hun wateren waren dooreen gemengd.
Er had zich nog geen riet gevormd,
Er waren nog geen moeraslanden.


Het bijbelse begin is niet bepaald een tot religie inspirerend opus, maar een les in wetenschap over de oertijd, waarbij men de lezer informeert over het feit dat er in werkelijkheid een tijd was dat de hemel en de aarde niet bestonden en dat er een daad van de Hemelse God , zijn ‘Geest’ zweefde over de ‘wateren’, voor nodig was om met een bliksemflits de hemel en de aarde te doen ontstaan.
Het woord “geest” in de bijbel zou eigenlijk moeten vervangen worden oor het woord “wind”, want dat is wat het Hebreeuwse woord ru’ach betekend.
Het woord hel, zou de vertaling zijn van het Hebreeuwse woord Tehom, maar tegenwoordig erkennen zelfs de theologen dat er in feite verwezen wordt naar Tiamat. Door de opstand worden bepaalde goden het recht ontzegd voor verblijf in het hemelse oord (ruimtestad of wat het ook mocht wezen), m.a.w. zij werden verbannen naar de Aarde/Tehom/hel.
Verscheidene bijbelfragmenten verwijzen naar de waterige natuur van Aarde/Tehom/Tiamat. De profeet Jesaja (51:10) ….toen de macht van God ‘Rahab doorkliefde, de draak doorboorde en de zee, de wateren van de grote vloed, drooglegde’. De psalmist verheerlijkte de God van de schepping die ‘van de diepten der zee een weg heeft gemaakt’. Wat was de ‘wind’ van God die ‘blies over de wateren’ van Tehom/tiamat? Niet de heilige ‘Geest’, maar de satelliet van Nibiru/Marduk die in Mesopotamische teksten met die term werd aangeduid. Die teksten beschrijven op heldere wijze de flitsen en de bliksemschichten die vanuit Nibiru/Marduk wegschieten als hij Tiamat nadert.
Passen we deze kennis toe op het bijbelverhaal dan wordt het:
Toen in het begin
God hemel en aarde schiep,
Was de aarde nog niet gevormd en ledig
En er heerste duisternis op Tiamat.
Toen blies de wind van God over haar wateren
En God gaf de order, ‘Laat er licht zijn!’
En er was helder licht.

Verder de opsplitsing van Tiamat (verzen en psalmen van Jesaja, verhaal van Job (26:7-13)
Hij spant de noorderhemel uit boven de diepte,
Hij laat de aarde drijven op het niets.
Dan perst hij het water in wolken,
En toch scheurt de nevel daaronder niet …
En dan splijt Hij de zee met machtige hand
Slaat Rahab neer met welgemikte slag.µ
Zijn stormwind blaast de ze terug,
En Hij doorsteekt het kronkelend serpent. …..
Van de andere helft van haar
Maakte hij een scherm voor de hemel
Smeedde hen tezamen
Als bewakers stelde hij hen aan
Hij boog Tiamats staart
Om de Grote Band te vormen tot een armband
Of volgens genesis

En God prak:
Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren,
Een afscheiding tussen het ene water en het andere.
En God maakte het uitspansel;
Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven.
Het uitspansel noemde God ‘Hemel’.

Beseffend dat het Hebreeuwse woord Sama’im (samensmelting van twee woorden ‘sham en ma’im’ wat letterlijk betekent ‘waar de wateren zijn’) wordt gebruikt als men in zijn algemeenheid spreekt over hemel of de hemelen, durfden de bewerkers van Genesis het aan om twee termen te gebruiken voor ‘de hemel’, die ontstond als gevolg van de vernietiging van Tiamat. Dat wat de ‘hogere wateren’ van de ‘lagere wateren’ scheidde, was de Raki’a; dat normaal wordt vertaald met ‘firmament’, het betekent letterlijk ‘uitgehamerde armband’.

Veel details, die door vertalingen en verdraaiingen op de duur totaal anders geïnterpreteerd werden.
Tal van onderzoeken hebben aangetoond dat veel van onze planeten water bevat hebben of dat nog steeds doen onder een andere vorm, zowel deze onder de Asteroïdengordel als deze erboven.


Wat hadden de Annunaki hier te zoeken?

Hun planeet werd ook "de schitterende" genoemd, doch zij moeten problemen gehad hebben met hun atmosfeer, vandaar dat ze goud nodig hadden om als stof te verstuiven in hun dampkring ( dat is wel wat de schriftontleders er uit opgemaakt hebben). Deze grondstof was hier op de nieuwe Aarde in voldoende voorraad aanwezig, deze oude mijnen zijn in Afrika terug gevonden. De ouderdom van deze eerste mijnen gaan tot meer dan 70.000 jaar terug in het verleden. Ware het niet dat wetenschappers deze grondig onderzocht hebben, men zou het niet voor mogelijk houden. En of dat goud al dan niet diende voor de bescherming van hun atmosfeer, dat laat ik in het midden.
Aangezien zij het ontstaan van ons zonnestelsel als van nabij hebben geobserveerd en indien Nibiru hun thuisplaneet was dan moet enkel een elite in staat zijn geweest zich d.m.v. ruimtetuigen te redden wanneer deze ons stelsel binnendrong. Of zij gebruikten deze als tussenbasis. Vanuit hun ruimtebasis moeten zij het gebeuren aanschouwd hebben.

-Legende van de Zoeloes i.v.m. de oudste prehistorische goudmijnen van Monotapa in het zuiden van Zimbabwe:
Zij verhalen over het feit dat de mijnen bewerkt werden door ' kunstmatig geproduceerde slaven van vlees en bloed geschapen door het Eerste Volk. Deze slaven raken in strijd verwikkeld met de Aapmensen 'toen' de grote oorlogsster aan de hemel verscheen (zie "Indaba My Children" geschreven door de Zoeloe medicijnman "Credo Vusamazulu Mutwa" ).

De lagere Annunaki kwamen tegen het zware werk in opstand, de toevoer van deze grondstof stopte. Enki de zoon van de heerser van Nibiru Annu vatte het plan op om een werker te creëren. Het wezen was reeds voorhanden, zijnde een primitieve hominide. Enki die een wetenschapper medicus was begon samen met Ninti aan de experimenten. De eerste resultaten moeten gedrochten teweeggebracht hebben, doch eindelijk ontstond de eerste werker LU.LU genaamd. Het ging hem om een wezen dat zich niet kon voortplanten. Dat procédé ging alsvolgt :

Het ontstaan van de mens
De Annunaki, de Elohim uit de Bijbel, schiepen de mens niet zomaar uit het niets. Het wezen bestond al op Aarde, het product van de evolutie. Hier is het dat Enki en Ninti het de beeltenis en intelligentie gaven van de Elohim d.m.v. genetische manipulatie en door in te breken in het evolutieproces van de primaat/mens, om de homosapiens te creëren.
Een vertaalde Soemerische tekst luidt als volgt:

Zij vroegen de godin te komen en vroegen,
de vroedvrouw van de goden, de knappe levensschenker,
'Schenk het leven aan een wezen, schep werkers!
Schep een werker,
die voor ons de last kan dragen!
Laat hem de taak uitvoeren die door Enlil wordt opgedragen,
laat de werker het gezwoeg van de goden overnemen!'

Enlil is de halfbroer van Enki en eerst geboren zoon van Anu, en dus hoger in rang dan zijn broer.
"Laat ons de mens schapen naar onze gelijkenis", de woorden uit de Bijbel spreken dus in het meervoud.
Wat houdt het woord ADAM in? Het is een generische term. Er wordt hier niet de persoon bedoeld, maar wel de Aardling. Het komt uit hetzelfde basiswoord als Adamah –"Aarde". Doch deze term houdt ook een zeker woordenspel in "Dam" betekent bloed en duidt naar de mannier waarop Adam werd verwekt.
De Soemerische term voor mens is LU, doch oorspronkelijk betekende dit "werker". De akadische taal omschreef het nieuwe wezen met het woord LU.LU, het geeft uitdrukking aan menging, het gemengde wezen. Tal van religieuze verhalen heeft het over de essence van de goden en het aardse element klei of modder. De Soemerische kleitabletten gaan hier zeer in detail. Adam was de eerste reageerbuisbaby.

Voor ik verder ga, eerst nog iets over de goden.

De twee halfbroers, Enlil en Enki dongen beiden naar de gunsten van Ninti. Ze hadden beiden een erfgenaam nodig bij een halfzuster, ja dat was ze, hun halfzuster. Gedrieën waren zij kinderen van Anu, maar hadden allen een verschillende moeder. Volgens de opvolgingsregels van de Annunaki, was het niet noodzakelijk de eerst geboren zoon, maar een zoon geboren uit een halfzuster van dezelfde koninklijke lijn die de legale opvolger werd. Dit werd ook overgenomen door de Soemeriërs en de aartsvaders uit de Bijbel. Misschien is ook het feit dat men van de adel zegt “blauw bloed” hieruit voortgesproten. Enki en Ninti legden zich toe op hun opdracht om een Adamu naar hun eigen beeltenis te scheppen. Doch uit tal van teksten bleek dat zij reeds voordien tal van experimenten hadden gedaan.
De mogelijkheid zit er zeer zeker in dat creaturen zoals centauren e.d. echt hebben bestaan. Heden ten dage kan ik verwijzen naar het varkentje met de fluorescerende snuit, of het geslaagde experiment in China waar een menselijke cel met succes is samengesmolten met en dierlijke cel, en wie weet wat men nu heden ten dage nogal verwezenlijkt heeft zonder dat het openbaar wordt gemaakt. Er zijn tal van verhalen ook mythen die spreken over deels menselijke, deels dierlijke schepsels. Waarom zou het niet kunnen als men de genetica totaal doorgrond heeft.
In de kleitabletten wordt beschreven hoe die twee, Enki en Ninti, wezens schiepen die noch mannelijke, noch vrouwelijke geslachtsorganen hadden, wezens die dus niet in staat waren zich voort te planten.
Na veel geëxperimenteer, waarin de genetische manipulatie voldoende was geperfectioneerd om in staat te zijn de goede en slechte eigenschappen van het resulterende lichaam te kunnen bepalen (hebben wij dat de laatste jaren ook al niet gehoord in onze geneeskunde?), waren ze in staat om de eindstap te wagen.
Het mengen van de goddelijke genen met die van de primitieve aardse hominide.
Wat ik wel moet zeggen, zowel de hominide als de Annunaki waren afkomstig uit hetzelfde levenszaad, doch met een ontzettende achterstand van tientallen miljoenen jaren. De Annunaki versnelden het evolutieproces.

De Instructies voor het project mens.
Enki gaf aan Ninti de volgende instructies:
Meng de klei tot een kern
Van de grond van de aarde,
Precies boven Abzu
En kneed het tot de vorm van een kern.
Ik zal zorgen voor goede verstandige Annunaki
Die de klei in de juiste toestand zullen brengen.

De Soemerische en Akadische woorden die vertaald worden met “klei” en “modder” zijn afkomstig van TI.IT, wat letterlijk betekend “ dat bij het leven hoort”, afgeleide betekenissen hiervan zijn “ei”.
Men heeft inderdaad het ei van een vrouwelijke hominide gebruikt om het te manipuleren.
Enki gaf vervolgens de opdracht om het bloed en shiru van een jonge god te nemen en door onderdompeling in een ‘zuiverend bad’ hun ’essences’ te verkrijgen. Wat aan het bloed ontrokken moest worden noemde men TE.E.MA, wat zoveel wou zeggen als persoonlijkheid, ‘ dat wat het geheugen in zich draagt’, of zoals wij het noemen “gen”. Het element shiru wordt vertaald met vlees, de grondbetekenis was “dat wat verbindt”. In andere teksten werd shiru ook aangeduid als kirsu of vertaald zaadvocht (sperma). Dus de twee goddelijke extracten werden gemengd in een zuiverend bad, vandaar de bijnaam LU.LU ‘de gemengde’.
De plaats waar het allemaal plaats vond was in het Akadisch BIT.SHIMTI, afkomstig van het Soemerische SHI.IM.TI, letterlijk “huis waar de levensadem is ingeblazen”. Dat zou dus de plaats geweest zijn, waar volgens de bijbel na Adam uit de klei gevormd te hebben, Elohim hem de levensadem inblies.
De Bijbelse term die men soms bij voorkeur vertaald met “ziel” i.p.v. “levensadem” is Nephesh.
Dat was weliswaar nog niet het einde van het procédé. Het ei van de hominide vrouw bevrucht in de zuiverende baden met het sperma van de Annunaki, werd in een mal gelegd, waar de verbinding tot stand kwam. De tijdsduur van het verblijf in de mal werd niet vermeld. Het bevruchte en gevormde ei werd ingeplant in de baarmoeder van een Annunaki vrouw. Enkel op deze wijze was er een eindresultaat realiseerbaar.
U zult het lot van de nieuwgeborene bepalen;
Ninti gaf het de beeltenis van de goden;
En het resultaat zal de ‘mens’ zijn.
De draaggodinnen bleven bij elkaar.
Ninti zat daar, de maanden aftellend.
De beslissende tiende maand naderde,
De tiende maand was daar
De periode waarin de baarmoeder zich moest openen, was verstreken.
Ik heb geschapen!
Mijn handen hebben dit gemaakt!
Ninti brak veertien stukken klei af,
Zeven legde zij aan de rechterzijde
Zeven legde zij aan de linkerzijde
e mal plaatste zij er tussenin.
De verstandige en de geleerde
Twee maal zeven draaggodinnen waren bijeen
Zeven baarden mannen
Zeven baarden vrouwen
De draaggodinnen baarden,
De wind van de levensadem

Via de tabletten vernemen we van Enki dat het lastig is om steeds maar nieuwe draaggodinnen te vinden en om steeds weer die complexe handelingen uit te voeren, want wat zij hadden geschapen was een hybride. Hybriden waren niet in staat om zichzelf voort te planten. Ze moesten dus nog een experiment uitvoeren zodat het nieuwe wezen zichzelf zou kunnen voortplanten.

Tussendoor zou ik kunnen stellen dat men nu reeds deels de geheimen van de celdeling, de menselijke reproductie, de functie en code van de genen, de oorzaak van vele erfelijke defecten en ziekten, nu begrepen worden, voldoende om de oude taal met haar gegevens exact te evalueren.

Nu effe het verslag van wat in het zeer nabije verleden heeft plaats gevonden, namelijk onze eerste reageerbuisbaby Louise Brown. Zoals dr. Edwards het zich liet ontvallen : “Terwijl de onttrokken eicel ondergedompeld werd in een bad met levensonderhoudende voedingsstoffen, werd zij ‘gemengd’ met het sperma van de echtgenoot. Hij gebruikt identiek dezelfde terminologie als vermeld in die duizenden jaren oude geschriften. Wat ook bleek, de mannelijke donor moest jong zijn, zoals benadrukt in de Soemerische teksten.
In het geval van Adam werd genetisch materiaal van twee verschillende soorten gemengd om een nieuw wezen te creëren, met een uitkomst die ergens tussen de twee ouders in ligt.

Het is nu niet alleen mogelijk om de A-G-C-T van DNA en de A_G_C_U letters van het genetisch alfabet te lezen, we kunnen zelfs ook de drieletterwoorden van de genetische code zoals AGG, AAT, GCC, GGG enz… in ontelbare combinaties herkennen, alsmede ook de segmenten van de DNA-strengen die genen vormen, elk met zijn specifieke taak. Er worden nu plannen gemaakt om de volledige menselijke genetische opbouw ‘genoom’ in kaart te brengen. Indien men de DNA aanwezig in alle menselijke cellen zou onttrekken en in een doosje dan zou dit niet groter zijn dan een ijsblokje; maar moest men de gedraaide strengen uitrekken dan zou deze een lengte hebben van 75 miljoen kilometer.
De wetenschap heeft ontdekt dat sommige van de codewoorden enkel tot taak hebben te bepalen waar het reproductieproces moet starten en stoppen. Verder was het uitpluizen wat de functie van ieder gen is.
Het is nu mogelijk geworden om met behulp van enzymen DNA-strengen op de gewenste plaats door te knippen, bepaalde zinnen te gaan verwijderen en zelfs een vreemd gen in te brengen, dit noemt men de recombinant-DNA-technologie. Zulke kunststukjes zijn mogelijk omdat de DNA in alle levende organismen op Aarde dezelfde opbouw heeft, en wellicht ook universeel. Door het uitknippen en het toevoegen van stukjes genetische strengen, of recombinanttechnologie, kunnen de eigenschappen die men wil verwijderen, toevoegen of uitwisselen, gespecificeerd en bepaald worden.
Italiaanse wetenschappers onder leiding van Corrado Spadafora van het instituut voor Biomedische Technologie in Rome deelde in juni 1989 in een rapport in 'Cell' mee dat zij succes hadden bij het gebruik van sperma als drager van nieuwe genen. Het procédé ging erom om sperma aan te zetten om zijn natuurlijke weerstand tegen vreemde genen te laten vallen; hierbij nam het sperma, na onderdompeling in oplossingen die het nieuwe genetisch materiaal bevatten, dit op in zijn kernen. Het veranderde sperma werd daarna gebruikt om te bevruchten. De nakomelingen bezaten het nieuwe gen in hun chromosomen. Dit komt neer op het hergebruiken van de oeroude technieken van de in de Soemerische teksten vermelde werkwijzen.
In 1987 veroorzaakte het hoofd van de Universiteit van Florence, een storm van protesten onder de kerkelijke leiders en humanisten, toen hij onthulde dat aan gang zijnde experimenten konden leiden tot de schepping van een nieuw ras van slaven, een op de mens gelijkend wezen met een chimpanseemoeder en een menselijke vader.

Wespen, Apen en bijbelse aartsvaders

Veel van wat er gebeurt is op aarde en met name de vroegste oorlogen, vonden hun oorsprong in de opvolgingscode van de Annunaki, die de eerstgeboren zoon zijn opvolgingsrecht ontnam als een andere zoon van de heerser werd geboren uit een halfzuster. Dezelfde opvolgingsregels, overgenomen door de Soemeriërs, vindt men terug in de verhalen over de Hebreeuwse aartsvaders. De bijbel verteld het verhaal van Abraham, uit Ur afkomstig, die zijn vrouw Sara vroeg zich voor te stellen als zijn zuster i.p.v. zijn vrouw. Hoewel het niet de gehele waarheid was, was het toch geen leugen, zoals blijkt uit Genesis 20:12 'En bovendien is zij werkelijk mijn zuster, zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder en zij is mij tot vrouw geworden. Abrahams opvolger was niet zijn eerstgeboren zoon Ismaël, wiens moeder de dienstmaagd Hagar was, maar Isaäk, de zoon van de halfzuster Sara, hoewel hij veel later geboren werd. Het feit dat men in de Oudheid aan koninklijke hoven, of het nu in Egypte of bij de Inca's was, zich strikt vasthield aan deze opvolgingsregels, zelfs nu nog roept het vermoeden op van een of andere bloedlijn of genetische veronderstelling die vreemd lijkt en strijdig is met de gedachte dat het huwen met nauwe verwanten onwenselijk is. Maar wisten de Annunaki iets dat de moderne wetenschap nog moet ontdekken?
In 1980 ontdekte Hannah Wu van de Universiteit van Washington, dat als ze de keus hadden, vrouwelijke apen de voorkeur gaven aan het paren met halfbroers. Het tijdschrift Discover december 1988 maakte melding dat mannelijke wespen normaliter paarden met hun halfzusters.

De moeder die Eva genoemd werd.

De genetische manipulaties uitgevoerd in een speciale faciliteit met de naam Bit Shimti – Huis waar levenswind wordt ingeblazen – heeft veel weg van een laboratorium.
Eva werd volgens de bijbel gemaakt uit Adams rib.
Men moet hier effe een Soemerische woordspeling volgen.
SHI staat voor levensadem, IM had meerdere betekenissen afhankelijk van de context. Het betekende 'wind' maar ook 'zijde' en in de anatomie had het de betekenis van 'rib' en ook de totaal niet verwante betekenis van 'klei'.
TI betekent zowel 'leven' als 'rib', verdubbeld TI.TI had het de betekenis van 'buik' dat wat de foetus bevatte > SHI.IM.TI zou gelijk zijn aan 'leven – klei – buik – rib'.

Toen deed de Here God een diepe slaap
op de mens vallen; en terwijl deze sliep,
nam hij een van zijn ribben
en sloot haar plaats toe met vlees,
en de Here God bouwde de rib,
die hij uit de mens genomen had, tot een vrouw,
en hij bracht haar tot de mens.
Toen zeide de mens,
'Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente
en vlees van mijn vlees.

Daarom zal deze Ish-sha (vrouw) heten,
omdat zij uit Ish (man) is genomen.
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten
en zijn vrouw aanhangen
en zij zullen tot één vlees zijn.

Voorheen vertoefde de Adam alleen in E.DIN (hof van Eden).
Om nakomelingen te krijgen moest Adam gemeenschap hebben met een niet hybride vrouw.
Hoe en waarom die tot leven werd geroepen is het verhaal van de rib en de hof van Eden.
Men zou het verhaal kunnen vergelijken met het feit dat een nauwe verwante een orgaan afstaat voor donatie, in geval van kanker en een ziekte die het immuunsysteem aantast, nemen de medici hun toevlucht tot beenmergtransplantatie.
In de bijbel is Adam de donor, hij wordt onder narcose gebracht, om een stuk rib te verwijderen die later zal gebruikt worden om de vrouw op te bouwen (niet scheppen). Het wijst erop dat de vrouw reeds bestond, maar er enkele aanpassingen dienden doorgevoerd te worden, om een levenswaardige levenspartner te worden voor Adam.
De LU.LU (werkers) waren nu in staat zich eindeloos voort te planten, doch één eigenschap hadden ze van de Annunaki niet gekregen, namelijk de lange levensduur. Van het fruit van de 'boom des levens' mochten zij niet proeven.
In de Soemerische tekst werd het als volgt beschreven:

Hij voorzag hem van brede kennis en inzicht…
Wijsheid had hij hem geven….
Hij had hem 'het kennen' gegeven;
Eeuwig leven had hij hem niet gegeven.

Wat houdt die ogenschijnlijke onsterfelijkheid in? Nou , volgens de teksten zouden die levens hebben van honderdduizenden jaren of meer. Dus wanneer een leider van de Annunaki een van de steden bestuurde gedurende 36.000 jaar of 10 sars, zou dat 180 mensengeneraties omvatten waardoor de indruk werd gewekt het eeuwig leven te hebben. De heerschappij over de steden wisselde afhankelijk van het beeld dat opkwam in de dierenriem, ze kwamen dan opnieuw aan de beurt als het aan hun gerelateerde beeld terug gunstig stond. Ik stel me bij dit hier toch een paar vragen, de beschrijving van de Annunaki in de Soemerische tabletten gaat hier voornamelijk over de leiders, er wordt weinig gerept over hun onderdanen (werkende Annunaki), doch wat zeker moet zijn is dat beide een heel lange levensduur hadden.
Wetenschappers hebben nu ontdekt dat intelligentie en levensduur kan gekoppeld worden aan een genetische component. Sommige dieren hebben zelf een genetische componenten die geprogrammeerd zijn tot zelfvernietiging na copulatie.
Studies hebben aangetoond dat sommige dieren het vermogen bezitten om beschadigde celgenen te repareren en aldus het verouderingsproces te stoppen of om te keren (bestaat er niet zo'n soort salamander die bij het verlies van een poot, die terug laat aangroeien?). Iedere soort heeft dus een duidelijke levensduur vastgelegd in zijn genen, maar in vroege tijden was de levensduur van de mens veel langer.
Volgens de bijbel leefde Adam 930 jaar, zijn zoon Seth 912 jaar en diens zoon 905 jaar, alhoewel de schrijvers van de Soemerische teksten vermoedelijk de vermelde levensduur met een factor 60 verkleinden, erkent de bijbel dat de mensheid voor de zondvloed een veel hogere leeftijd bereikte. Naarmate de millennia verstreken, begon de levensverwachting van de aartsvaders korter te worden. Terah, Abrahams vader werd 205 jaar, Abraham werd 175 en zijn zoon Isaäk 180, wiens zoon Jacob 147 jaar werd en deze laatste zijn zoon overleed op 110 jarige leeftijd.
Aangezien er wordt aangenomen dat genetische fouten die zich bij de herhaalde reproductie van DNA in de cellen accumuleren, bijdragen aan het verouderingsproces, duiden wetenschappelijke aanwijzingen op het bestaan van een biologische klok in alle levende wezens, een fundamenteel genetisch ingebouwde eigenschap die de levensduur van alle soorten regelt. Wat dat gen of groep genen is, wat hun geheim is, op welke manier zij aangestuurd worden om zich te doen gelden, zijn nog steeds onderwerp van intensief onderzoek.. Sommige virussen hebben fragmenten in hun DNA die hun quasi onsterfelijk maakt.
Ik had het daar over da salamandertje, misschien hebben zij ons levende wezens nagelaten die bepaalde zaken in zich hebben om later, bij het bezitten van voldoende kennis, deze materie te kunnen doorgronden. Ik denk nu maar alleen aan al die mensen met een fysieke handicap, die dan instaat zouden zijn om het ontbrekende deel terug laten aan te groeien. Plant en dier kan ons waarschijnlijk nog heel wat openbaren.

Veel van wat er gebeurt is op aarde en met name de vroegste oorlogen, vonden hun oorsprong in de opvolgingscode van de Annunaki, die de eerstgeboren zoon zijn opvolgingsrecht ontnam als een andere zoon van de heerser werd geboren uit een halfzuster. Dezelfde opvolgingsregels, overgenomen door de Soemeriërs, vindt men terug in de verhalen over de Hebreeuwse aartsvaders. De bijbel verteld het verhaal van Abraham, uit Ur afkomstig, die zijn vrouw Sara vroeg zich voor te stellen als zijn zuster i.p.v. zijn vrouw. Hoewel het niet de gehele waarheid was, was het toch geen leugen, zoals blijkt uit Genesis 20:12 'En bovendien is zij werkelijk mijn zuster, zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder en zij is mij tot vrouw geworden. Abrahams opvolger was niet zijn eerstgeboren zoon Ismaël, wiens moeder de dienstmaagd Hagar was, maar Isaäk, de zoon van de halfzuster Sara, hoewel hij veel later geboren werd. Het feit dat men in de Oudheid aan koninklijke hoven, of het nu in Egypte of bij de Inca's was, zich strikt vasthield aan deze opvolgingsregels, zelfs nu nog roept het vermoeden op van een of andere bloedlijn of genetische veronderstelling die vreemd lijkt en strijdig is met de gedachte dat het huwen met nauwe verwanten onwenselijk is. Maar wisten de Annunaki iets dat de moderne wetenschap nog moet ontdekken?
In 1980 ontdekte Hannah Wu van de Universiteit van Washington, dat als ze de keus hadden, vrouwelijke apen de voorkeur gaven aan het paren met halfbroers. Het tijdschrift Discover december 1988 maakte melding dat mannelijke wespen normaliter paarden met hun halfzusters.

De moeder die Eva genoemd werd.

De genetische manipulaties uitgevoerd in een speciale faciliteit met de naam Bit Shimti – Huis waar levenswind wordt ingeblazen – heeft veel weg van een laboratorium.
Eva werd volgens de bijbel gemaakt uit Adams rib.
Men moet hier effe een Soemerische woordspeling volgen.
SHI staat voor levensadem, IM had meerdere betekenissen afhankelijk van de context. Het betekende 'wind' maar ook 'zijde' en in de anatomie had het de betekenis van 'rib' en ook de totaal niet verwante betekenis van 'klei'.
TI betekent zowel 'leven' als 'rib', verdubbeld TI.TI had het de betekenis van 'buik' dat wat de foetus bevatte > SHI.IM.TI zou gelijk zijn aan 'leven – klei – buik – rib'.

Toen deed de Here God een diepe slaap
op de mens vallen; en terwijl deze sliep,
nam hij een van zijn ribben
en sloot haar plaats toe met vlees,
en de Here God bouwde de rib,
die hij uit de mens genomen had, tot een vrouw,
en hij bracht haar tot de mens.
Toen zeide de mens,
'Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente
en vlees van mijn vlees.

Daarom zal deze Ish-sha (vrouw) heten,
omdat zij uit Ish (man) is genomen.
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten
en zijn vrouw aanhangen
en zij zullen tot één vlees zijn.

Voorheen vertoefde de Adam alleen in E.DIN (hof van Eden).
Om nakomelingen te krijgen moest Adam gemeenschap hebben met een niet hybride vrouw.
Hoe en waarom die tot leven werd geroepen is het verhaal van de rib en de hof van Eden.
Men zou het verhaal kunnen vergelijken met het feit dat een nauwe verwante een orgaan afstaat voor donatie, in geval van kanker en een ziekte die het immuunsysteem aantast, nemen de medici hun toevlucht tot beenmergtransplantatie.
In de bijbel is Adam de donor, hij wordt onder narcose gebracht, om een stuk rib te verwijderen die later zal gebruikt worden om de vrouw op te bouwen (niet scheppen). Het wijst erop dat de vrouw reeds bestond, maar er enkele aanpassingen dienden doorgevoerd te worden, om een levenswaardige levenspartner te worden voor Adam.
De LU.LU (werkers) waren nu in staat zich eindeloos voort te planten, doch één eigenschap hadden ze van de Annunaki niet gekregen, namelijk de lange levensduur. Van het fruit van de 'boom des levens' mochten zij niet proeven.
In de Soemerische tekst werd het als volgt beschreven:

Hij voorzag hem van brede kennis en inzicht…
Wijsheid had hij hem geven….
Hij had hem 'het kennen' gegeven;
Eeuwig leven had hij hem niet gegeven.

Wat houdt die ogenschijnlijke onsterfelijkheid in? Nou , volgens de teksten zouden die levens hebben van honderdduizenden jaren of meer. Dus wanneer een leider van de Annunaki een van de steden bestuurde gedurende 36.000 jaar of 10 sars, zou dat 180 mensengeneraties omvatten waardoor de indruk werd gewekt het eeuwig leven te hebben. De heerschappij over de steden wisselde afhankelijk van het beeld dat opkwam in de dierenriem, ze kwamen dan opnieuw aan de beurt als het aan hun gerelateerde beeld terug gunstig stond. Ik stel me bij dit hier toch een paar vragen, de beschrijving van de Annunaki in de Soemerische tabletten gaat hier voornamelijk over de leiders, er wordt weinig gerept over hun onderdanen (werkende Annunaki), doch wat zeker moet zijn is dat beide een heel lange levensduur hadden.
Wetenschappers hebben nu ontdekt dat intelligentie en levensduur kan gekoppeld worden aan een genetische component. Sommige dieren hebben zelf een genetische componenten die geprogrammeerd zijn tot zelfvernietiging na copulatie.
Studies hebben aangetoond dat sommige dieren het vermogen bezitten om beschadigde celgenen te repareren en aldus het verouderingsproces te stoppen of om te keren (bestaat er niet zo'n soort salamander die bij het verlies van een poot, die terug laat aangroeien?). Iedere soort heeft dus een duidelijke levensduur vastgelegd in zijn genen, maar in vroege tijden was de levensduur van de mens veel langer.
Volgens de bijbel leefde Adam 930 jaar, zijn zoon Seth 912 jaar en diens zoon 905 jaar, alhoewel de schrijvers van de Soemerische teksten vermoedelijk de vermelde levensduur met een factor 60 verkleinden, erkent de bijbel dat de mensheid voor de zondvloed een veel hogere leeftijd bereikte. Naarmate de millennia verstreken, begon de levensverwachting van de aartsvaders korter te worden. Terah, Abrahams vader werd 205 jaar, Abraham werd 175 en zijn zoon Isaäk 180, wiens zoon Jacob 147 jaar werd en deze laatste zijn zoon overleed op 110 jarige leeftijd.
Aangezien er wordt aangenomen dat genetische fouten die zich bij de herhaalde reproductie van DNA in de cellen accumuleren, bijdragen aan het verouderingsproces, duiden wetenschappelijke aanwijzingen op het bestaan van een biologische klok in alle levende wezens, een fundamenteel genetisch ingebouwde eigenschap die de levensduur van alle soorten regelt. Wat dat gen of groep genen is, wat hun geheim is, op welke manier zij aangestuurd worden om zich te doen gelden, zijn nog steeds onderwerp van intensief onderzoek.. Sommige virussen hebben fragmenten in hun DNA die hun quasi onsterfelijk maakt.
Ik had het daar over da salamandertje, misschien hebben zij ons levende wezens nagelaten die bepaalde zaken in zich hebben om later, bij het bezitten van voldoende kennis, deze materie te kunnen doorgronden. Ik denk nu maar alleen aan al die mensen met een fysieke handicap, die dan instaat zouden zijn om het ontbrekende deel terug laten aan te groeien. Plant en dier kan ons waarschijnlijk nog heel wat openbaren.

Project 'homo sapiens'

Er zal een dag komen, een dag in de eindeloze reeks dagen, waarop wezens, wezens die nu alleen in onze gedachten verscholen en in onze lendenen verborgen zijn, op deze aarde staan, als op een kruk, en zij zullen lachen en hun handen uitstrekken te midden van de sterren.

H.G. WELLS (1866-1946)

Onze reis naar afgelegen culturen in verre landen door de tijden heen begon op Sulawesi, en daar willen we haar ook beëindigen. Ten minste 500.000 jaar liggen er tussen ons en het eerste verschijnen van de homo erectus op het ten zuidwesten van Sulawesi gelegen eiland Java. En het is 30.000 jaar geleden dat Sulawesi werd bevolkt door de moderne mens, de homo sapiens, die in de grotten van zuidelijk Sulawesi een eerste tehuis vond en okerkleurige tekeningen in de steile kalkklippen van Leang Leang (ongeveer veertig kilometer van de hoofdstad Ujung Pandang verwijderd) achterliet. Hun nakomelingen werden waarschijnlijk nog in 1905 door onderzoekers in de buurt van het district Bone aangetroffen. To-ala, bosmensen, werden zij door de bevolking uit de omgeving genoemd. Drieduizend jaar geleden vestigden zich emigranten uit Azië op het orchideeëneiland, en die brachten gedomesticeerde dieren, planten en nieuwe cultuurgoederen mee. Rond die tijd kunnen de eerste contacten met de vreemde intelligente wezens hebben plaatsgevonden, die door de Toradja’s en andere volkeren op Sulawesi als goden van de Plejaden werden beschouwd. Die bezoeken lijken in de tijd na Christus te zijn doorgegaan. Sulawesi, dat eiland van palmenstranden, regenwouden en moeraslandschappen, houdt tot op de dag van vandaag veel geheimen verborgen. Een van de laatste grote raadselen wordt bewaard door een kleine stam in het westen van Zuid-Sulawesi.

De dagen in Tana Toradja liggen achter ons. Nu rijden we over een hobbelige weg langs rubberplantages en rijstvelden. Ons doel is het gebied ten zuiden van Bone, de oude vorstenresidentie van de Bugi’s. Want daar bevindt zich het centrum van de Konjo sprekende volkeren, die in vier afgelegen dorpen de oeroude Tanatowa-traditie van hun voorouders in ere houden. De Kajang staan officieel als pre-islamitisch te boek, omdat hun religie reeds lang vóór de missionering van Sulawesi door de islam bestond.

We komen met de auto tot op ongeveer een kilometer van het dorp Benteng. Dan verspert een knoestige slagboom ons de weg. Zoals alle bezoekers laten ook wij de wagen buiten de dorpen staan. De Kajang wensen in hun dorpen geen techniek. Zij leven in een bewust harmonische relatie met de natuur om hen heen. We trekken zwarte kleren aan en bedekken ons hoofd met een in de vorm van een tulband gevouwen doek. De Kajang dragen alleen zwarte kleding, omdat zij geloven dat het leven aan de duisternis ontsproten is. In gezelschap van Semsia, een jonge vrouw wier familie uit dit gebied afkomstig is, betreden wij een andere wereld.

De huizen met hun wanden van bamboe en hout en hun daken van palmbladeren worden al eeuwenlang uit louter natuurlijke materialen opgetrokken. Moeders staan bij open vuurplaatsen en koken het middagmaal voor het gezin of roeren in grote koperen ketels die boven de vlammen hangen suikerriet tot een kleverige, donkere, moutachtige stroop. Andere vrouwen winnen uit de indigoplant de blauwzwarte kleurstof voor hun kleding.

Langs een houten ladder komen we in het op palen rustende woonvertrek van een van de gezinnen. De grijze dorpsoudste ontvangt ons in kleermakerszit in zijn huis, dat slechts enkele luchtige matten om op te slapen en wat kookgerei bevat. Deze mensen, die voor hun levensonderhoud alleen landbouw bedrijven, hebben niet zoveel nodig om in hun wereld te leven. Ook al bestaat er tegenwoordig contact met de buitenwereld en gaan steeds meer kinderen en jongeren naar school, waardoor ze de leefwijze van de Indonesiërs leren kennen, toch hebben de Kajang tot nu toe hun culturele tradities niet verloochend. Zo is het bijvoorbeeld de aanvoerder van de Kajang, Amatowa genaamd, nog steeds niet toegestaan het territoriurn van de vier Kajang-dorpen te verlaten.

Wat ons naar hen toe heeft gebracht, is hun Tanatowa-mythologie. ‘Tanatowa’ betekent letterlijk: ‘land van oorsprong van de mensheid’. De Kajang geloven tot op de dag van vandaag dat in een woud in hun gebied de eerste mensen geschapen werden en dat die daar wellicht nog altijd leven. Dat circa tweehonderd hectare grote stuk land is aan een absoluut taboe onderworpen. Niemand, ook niet zijzelf, mag dat heilige bos betreden. De ingangen van hun huizen mogen zelfs niet eens in de richting van het raadselachtige bos liggen, opdat het geen macht over hen zal kunnen uitoefenen. Wat verbergt zich werkelijk in dat strikt verboden gebied? Gaat het ‘maar’ om een legende? Maar we hebben gezien dat oude overleveringen altijd minstens een kern van waarheid bevatten. Vonden in dat bos misschien de genetische experimenten plaats die de mens pas tot mens maakten? Het leven heeft zijn oorsprong in de duisternis, geloven de Kajang. Brachten hun goden ooit de geschikte bouwstenen voor dat leven uit de onmetelijke zwarte kosmos mee? Voegden zij op Sulawesi de vereiste informatie aan het menselijk erfelijk materiaal toe? Misschien is dat al te speculatief, maar de vraag blijft toch hoe de Kajang op het idee zijn gekomen dat in dat woud het ‘land van oorsprong van de mensheid’ ligt. Wat verbergen die bomen, lianen en struiken voor de ogen van de mensen?

Hoe is de mens eigenlijk mens geworden? Mogelijk ligt het antwoord op die vraag inderdaad in onszelf, in onze genen. Dragen wij wellicht zelfs een aan de mens zelf geadresseerde ‘brief van de ‘sterrengoden’ in ons mee? Het informatiegehalte van één enkel menselijk chromosoom komt omgerekend overeen met ongeveer vijfhonderd miljoen woorden. Dat getal is al bijna onvoorstelbaar. Een pagina van dit boek telt gemiddeld zo’n driehonderd woorden. Bij een aantal van 250 pagina’s per boek heeft u tegen de zevenduizend boeken nodig om de informatie van één chromosoom weer te kunnen geven. U beschikt dus zoals ieder mens over een enorme inwendige bibliotheek. En die levensencyclopedie met haar vijfhonderd miljoen informatie-eenheden staat u in elk van uw honderd biljoen celkernen ter beschikking. Het verschil is alleen dat uw genenbibliotheek niet op papier staat, maar in kernzuren gecodeerd werd. Onze genetici hebben echter intussen de DNA-taal leren lezen. De volgorde van de nucleotiden zegt hun welke ‘titel’ ze voor zich hebben, en deels kunnen ze ook al de inhoudsopgave ‘lezen’ of de afzonderlijke bladzijden ‘omslaan’, daarin wat grasduinen’ en enkele ‘letters’ of woorden’ omschrijven. Daarbij zijn de wetenschappers bij de hogere organismen op enkele eigen aardige passages gestuit. Alle organismen (behalve de bacteriën) beschikken over speciale combinaties van nucleotiden die aangeven waar de reproductie begonnen moet worden en waar de overdracht moet eindigen.’ Wij kunnen ze eenvoudig vertalen met ‘hier beginnen’ en ‘hier eindigen’. Maar dan volgen opeens bevelen als ‘Attentie! Opgepast! Nu volgt complete nonsens! Niet op letten!’ Ten slotte wordt de sequentie besloten met het signaal: ‘Einde van het domme gebazel!’ Het volstrekt verbijsterende daarbij is dat die onzin-informatie vijfennegentig tot zevenennegentig procent van de totale hoeveelheid informatie uitmaakt. Dus niet meer dan drie a vijfprocent van de genetische informatie zou de mens maken totwathij is. De evolutiebioloog Robert Shapiro2 schrijft daarover: ‘Dergelijke domeinen worden, weinig vleiend, troep, nonsens of afval genoemd... Maar wij kunnen daar niet zo zeker van zijn. Mogelijk geven zij in code of in een nog niet als zodanig herkende genetische taal belangrijke informatie weer.

En als in die ‘verguisde’ vijfennegentig a zevenennegentig procent van onze genenbibliotheek nu eens juist datgene staat waar wij naar zoeken? Als buitenaardse wezens inderdaad ooit onze humanoïde voorouders (of nog veel vroeger levende voorzaten) als proefkonijnen voor een project ‘homo sapiens’ hebben gebruikt. dan zouden de sporen van die manipulaties juist in dat zogenaamde ‘afval’ te vinden kunnen zijn. De mythen en religies van onze wereld maken in gecodeerde vorm melding van zulke manipulaties. Op Sulawesi evenzeer als in Sumerië of Mexico.

Van één ding kunnen we in ieder geval zeker zijn: als een overlevering van generatie op generatie wordt doorgegeven, dan hoeven we slechts naar de ware inhoud ervan te zoeken om te ontdekken wat de oude volkeren altijd al wisten. De aarde ontving bezoek ut de kosmos. Het aardse leven is niet meer dan een mozaïeksteentje in het reusachtige levensverhaal van een veel groter systeem: het universum dat ons omringt.

SETA 1: Bewijzen in het Vaticaan

Vaticaanstad. Er lijken drie plausibele mogelijkheden te zijn. Toen Rome in 410 n.Chr. onder aanvoering van koning Alarik door de Visigoten geplunderd werd, trokken ze met een rijke buit uit tempels en paleizen naar Carcassonne in het huidige Frankrijk. We weten zeker dat de zevenarmige gouden kandelaar, die de Romeinen op hun beurt uit de tempel van Jeruzalem hadden gestolen, tot die buit behoorde. Het is niet ondenkbaar dat de Visigoten ook het heilige schild ontdekten en meenamen.

De tweede mogelijkheid is dat de priesters, voor de stad bestormd werd, die sinds Hannibal niet meer was bedreigd, hun heiligste bezit, dat immers bet voortbestaan van Rome moest waarborgen, in veiligheid hebben gebracht. Dat is zelfs heel waarschijnlijk. Enerzijds duurde de plundering door Alariks troepen niet langer dan drie dagen, zodat die rooftocht meer lukraak dan doelgericht moet hebben plaatsgevonden, en anderzijds kan men ook aannemen dat al vanaf bet eerste begin in een veilige bergplaats voor noodsituaties was voorzien. De laatste Romeinse keizer droeg, als om de spot te drijven met het lot, dezelfde naam als de eerste koning van de stad: Romulus. Eénjaar slechts, van 475 tot 476, duurde zijn heerschappij. Hij werd door Odowaker, zoon van een Skirische vorst, van de troon gestoten. Onder diens bewind verdween bet West-Romeinse keizerschap voorgoed. Een wereldhistorische periode was ten einde gekomen.

Maar vrijwel gelijktijdig nam de macht van Rome in een ander opzicht juist toe. Het christendom begon zich van een staatsgevaarlijke sekte tot een staatsgodsdienst te ontwikkelen. De grote kerkvaders Ambrosius (Ca. 340-397), Hiëronymus (Ca. 345-420) en Augustinus (Ca. 354-430) oefenden door hun geweldige retorische vermogens een enorme aantrekkingskracht uit op de mensen van die tijd, en de bisschop van Rome had langzamerhand zijn positie in de jonge Kerk kunnen uitbreiden. Augustinus had bet Rijk Gods verkondigd. De wereldlijke macht, bet Imperium Romanum, zou ten onder gaan, en uit de puinhopen daarvan zou het Rijk Gods, dat wil zeggen de heerschappij van de Kerk, verrijzen. De pausen werden daarmee de wettige opvolgers van de oude macht. Ze kregen de oude heidense titel van Pontifex Maximus, al waren ze niet meer verantwoordelijk voor de toestand van de aardse bruggen over de Tiber, maar voor de grote bruggenbouw’ naar God. Nog steeds is dit de officiële titel van de hoogste priester van het katholieke christendom. Namen de pausen niet alleen de Romeinse titulatuur over, maar ook de heilige objecten van het Collegium Pontificium, dat tegenwoordig in het Vaticaan zetelt? Is het ‘hemelse schild’ 2700 jaar lang bewaard gebleven en bevindt het zich nu nog in de geheime archieven van de Kerk, in een van de zeven heuvels van Rome?

Mocht dat zo zijn, dan moet de kans dat wij het te zien krijgen voorshands gering worden genoemd. Misschien zou de katholieke Kerk er nog niet eens moeite mee hebben een heidense relikwie tentoon te stellen, maar een buitenaards artefact aan de wereld te presenteren, dat is nog wel even wat anders. — En het is niet onmogelijk dat het Vaticaan nog een tweede boodschap van buitenaardse origine in zijn archieven bewaart.

In mijn boeken Die geheime Botschaft von Fatima en Zeichen am Himmel’ heb ik de opvallende gelijkenis tussen UFO-waarnemingen en zogenoemde Mariaverschijningen geanalyseerd. Er bleken verbazingwekkende overeenkomsten te bestaan wat betreft de gehoorde geluiden, de temperatuurinvloeden, de elektromagnetische wisselwerkingen, de lichtverschijnselen, het vlieggedrag (zowel van de materiële als van de lichtobjecten), de angstgevoelens van de waarnemers, de vorm van de communicatie tussen de waarnemers en de verschijning respectievelijk het buitenaardse wezen, en het soort boodschappen aan de waarnemers.

Een van die boodschappen ontvingen de drie kinderen Francisca, Jacinta en Lucia in 1917 in de Portugese plaats Fatima. De mededeling die zij naar hun zeggen van de Moeder Gods zélf hadden gekregen, behelsde drie verschrikkelijke profetieën over de toekomst van de mensheid. Twee ervan verwijzen naar de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, reden waarom velen vermoeden dat de derde boodschap voorspellingen over de Derde Wereldoorlog bevat. De werkelijke inhoud van die boodschappen werd echter nooit openbaar gemaakt. In 1943 legde de laatste nog levende zuster, Lucia, deze ‘wonderbaarlijke gebeurtenis’ in een klooster schriftelijk vast en stuurde ze dit document naar paus Pius XII. Omdat de ‘Heilige Maagd’ het zo wilde, mocht het ‘Derde Geheim van Fatima’ pas in 1960 openbaar worden gemaakt. En onder het pontificaat van paus Johannes XXIII werd de geheime brief inderdaad geopend, maar in weerwil van de uitdrukkelijke beschikking van de Moeder Gods verzegelden de aanwezige kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders het document weer en zagen zij af van een bekendmaking van de inhoud ervan. 167

Er kunnen slechts twee redenen voor die geheimhouding zijn. Of de boodschap is dermate triviaal of onzinnig dat de Kerk haar niet kan publiceren zonder daarmee toe te geven dat zij een grote vergissing beging toen zij de vermeende Mariaverschijning als authentiek bestempelde, of de boodschap bevat informatie die de Kerk maar liever achterhoudt omdat zij een fundamentele dwaling van de officiële leer aan het licht brengt. Onze stelling is dat de zogenaamde Boodschap van Fatima informatie over de ware achtergronden van de verschijning van 1917 (categorie in van het SETA-onderzoek) bevat. De vele parallellen met het fenomeen van de UFO-waarnemingen doen vermoeden dat het hier gaat om gegevens die bevestigen dat buitenaardse wezens in de lotgevallen van de mensheid hebben ingegrepen. Het Vaticaan zwijgt echter in alle talen.

SETA 2: Bewijzen in heilige oorden

Mexico. In een ander geval zweeg de katholieke Kerk echter niet en stond ze zelfs een onderzoek toe van een uitermate curieus object uit 1531. In dat jaar was aan de tot het christelijk geloof bekeerde Azteek Juan Diego buiten de poorten van Mexico City de ‘Heilige Maagd Maria’ verschenen. Op wonderbaarlijke wijze werd het beeld van de Moeder Gods op de schoudermantel van de man geprojecteerd. als een foto. Was die afbeelding edit of betrof het een vervalsing? Dat is lange tijd de vraag geweest. Uit grondig wetenschappelijk onderzoek is inmiddels gebleken dat de afbeelding onmiskenbaar edict is. De stof van de schoudermantel stamt inderdaad uit de zestiende eeuw, en hoewel de grove agave-vezels normaliter hoogstens twintig jaar meegaan, bestaat die mantel nu al meer dan 450 jaar, zonder ook maar een spoor van slijtage te vertonen. Nobelprijswinnaar prof. Richard Kuhn stelde vast dat zich in de vezels geen kleurstoffen bevinden. Vervolgonderzoek wees uit dat er ook geen penseelstreken te onderscheiden zijn. Ook lak, lijm of grondverf ontbrak geheel en al. Ten slotte kwam er nog een fantastisch fenomeen aan het licht: in de pupillen van de ogen van de madonna bleek na uitvergroting de weerspiegeling van de omgeving zichtbaar te zijn, zoals die er op het moment waarop de afbeelding ontstond moet hebben uitgezien. Met criminologische methodes, computeranalyses en ruimtevaarttechnieken werd het gelaat van een man geïdentificeerd, dat met grote waarschijnlijkheid dat van Juan Diego was, en daarbij nog meer gezichten respectievelijk personen. De analyse toonde aan dat de spiegeling precies die vorm en hoek heeft die voor een weergave tussen ooglens en netvlies typerend zijn. Het tafereel komt exact overeen met het historisch overgeleverde verhaal. Het zou zelfs in onze tijd niet mogelijk zijn een dergelijk tafereel, met zulke minieme afmetingen, dermate exact te ‘schilderen’.

De afbeelding hangt nog altijd in de Maria-basiliek van Guadeloupe in Mexico. Iedereen kan haar daar bekijken. Maar ons gaat het om de consequenties die uit dit geval getrokken moeten worden. Als achter dit fenomeen, dat zoveel overeenkomsten vertoont met zowel de huidige UFO-waarnemingen als de oude godenverschijningen, inderdaad een buitenaardse intelligentie schuilgaat, dan is het bovenbeschrevene het bewijs dat wij zoe­ken voor de aanwezigheid van buitenaardse wezens op onze planeet.

Israël-Ethiopië. In de jaren 1982-1998 hebben mijn broer J. Fiebag en ik de gangen van nog een ander heilig object nagegaan. In ons boek De Eeuwigheidsmachine’ tonen wij de buitenaardse herkomst aan van de inhoud van de Ark des Verbonds: de mannamachine (Voor meer informatie wordt de lezer naar het betreffende boek verwezen.). De mannamachine zou tegenwoordig op het voor de Canadese kust gelegen eilandje Oak Island in een ondergrondse bergplaats kunnen liggen. Het andere interessante object, namelijk de Ark des Verbonds, bevindt zich wellicht nog in een gang in de Tempelberg van Jeruzalem. Zou dat het geval blijken te zijn, dan is de kans dat hij gevonden wordt vrij groot. Momenteel worden archeologische opgravingen uitgevoerd, waarbij de onderzoekers al op dichtgestorte gangenstelsels zijn gestuit.

Saoedi-Arabië. Een andere interessante heilige relikwie is de al-hadjar al-as-wad, de ‘zwarte steen’ van Mekka. Eeuwen geleden werd deze in de zuidoostelijke hoek van de Kaäba, een kubusvormig gebouw op de binnenplaats van de hoofdmoskee, ingemetseld. Sindsdien wordt hij door alle mohammedanen als het hoogste heiligdom van hun geloof beschouwd. De overlevering, die teruggaat tot in pre-islamitische tijden, verhaalt een kos­mische oorsprong van de steen. Misschien gaat het slechts om een meteoriet, zoals velen vermoeden, maar het is ook mogelijk dat het volgens het mohammedaanse geloof uit de oertijd van Adam stammende object informatie bevat waar het paleo-SETI-onderzoek naar op zoek is. Het openen van de Kaäba zou echter een daad van heiligschennis zijn die momenteel niemand zou overleven.

Guatemala. Ingebed in een landschap van donkere vulkanen ligt, diepblauw glanzend, het Atitlán-meer. In die omgeving wordt een mysterieuze rol bewaard die met doeken werd omhuld. De Quiche-Maya’s ontvingen dat object ooit van hun goden ‘ten teken van het verbond’ en als herinnering aan hun aanwezigheid hier, voor ze weer naar de hemel teruggingen. Die goddelijke bundel wordt onder de naam ‘Psióm K’ak’ál’ nog altijd door de Indio’s vereerd. Tegenwoordig staan de Quiche-Maya’s nogal wantrouwig tegenover buitenlandse bezoekers, omdat in de afgelopen eeuwen vele van hun heilige relikwieën gestolen of vernietigd werden. Het zou niettemin interessant kunnen zijn om dit object met moderne ultrasonische apparatuur voorzichtig ‘door te lichten’. Want misschien betreft het her een buitenaardse capsule met belangrijke informatie voor het nageslacht.

Tibet. In de ruige wereld van de Himalaya wordt tussen heilige bergtoppen en valleien het boeddhistisch lamaïsme beleden, een leer waarin elementen uit een magische en demonische oerreligie en het boeddhisme zijn vermengd. Stoepa’s, grotschrijnen, tempels en kloosters wijzen de pelgrim de weg naar de plek waar het ‘dak van de wereld’ in de hemel schijnt over te gaan. In deze ascetische monnikenwereld spelen kleine mysterieuze staafachtige objecten een belangrijke rol. Ze worden door de priesters tussen de vingers gedraaid als zij in gebed verzonken met hun goden willen commu­niceren. Deze ‘dorje’s’ worden tegenwoordig in grote hoeveelheden geproduceerd, maar dat zijn natuurlijk slechts nabootsingen van de oorspronkelijke zeven metalen voorwerpen die vele duizenden jaren geleden uit de hemel kwamen. De schrijver Andrew Tomas vertelt hoe hij tijdens reizen door Tibet en India mensen meermalen over de ‘herlaadbaarheid’ van de dorje’s hoorde praten. Overleveringen beschrijven de mysterieuze vermogens van de goddelijke objecten. Zij produceren naar verluidt ‘een schitterend schijnsel’, ze ‘gloeien’, brengen een ‘zoemende klank’ voort en hullen hun omgeving in een ‘van licht vervulde nevel’. Andrew Thomas, tegenwoordig in de negentig en woonachtig in de Verenigde Staten, vertelde mij in 1997 dat hij op grond van vele gesprekken tot de conclusie gekomen is dat een dorje in staat is om zeer ongewone, technisch ogende verschijnselen op te wekken. In zijn boek Wij zijn niet de eersten citeert hij twee Sovjetrussische wetenschappers die in het begin van de jaren zestig een van de originele dorje’s zien kregen en volkomen perplex stonden van de vermogens ervan. Volgens de Tibetaanse, Indische en Kasjmirse legenden zou een dorje vanuit de hemel naar de bekende theestad Darjeeling (Darjeeling - oord van de dorje) zijn gebracht. Er zijn vermoedens dat een van de heilige staven in het Galdan-klooster nabij de Tibetaanse hoofdstad Lhasa wordt bewaard. Een tweede zou zich bevinden in het ballingsoord van de god-koning der Tibetanen, de Dalai Lama, in het Indiase Dharamsala. Een van de titels van de Dalai Lama luidt ‘Drager van de Dorje’. Gehoopt wordt dat deze geestelijk zeer verlichte en openhartige man binnen afzienbare tijd een originele dorje voor onderzoek ter beschikking stelt. Daarmee zou hij zijn tweede titel, die van Dalai, recht doen, want die betekent ‘Meester in de Zee van Wijsheid’.

SETA 3: Bewijzen in koninklijke residenties

Ghana. Ashanti is de naam van een volk, het koninkrijk waar het leeft en de taal die het spreekt. De Afrikaanse Goudkust van Ghana is het vaderland van dat volk. Dat rijk kent nog steeds twee heersers: de ene is de president, de andere is de Asantehene, koning Opoku Ware II, wiens invloedssfeer een kwart van Ghana beslaat. Zijn koninkrijk bestaat voornamelijk uit uitgestrekte weidegronden en steile beboste heuvels. In Kumasi, de op één na grootste stad van het land, regeert Opoku Ware II als geestelijk en wereldlijk leider. Vergezeld van muzikanten, omroepers met trommels en allerlei ceremonieel vertoon trekken zijn hoofdlieden meermalen per maand naar zijn paleis om met hem over de verdere toekomst van de Ashanti te beraadslagen.

Hun religie kent een hoogste god, die zij Onyankopon (de Grote) of Otumfoo (de Machtige, Eeuwige, Eerste en Oudste) noemen. Deze hoogste god heeft geen priesters, want de rechtstreekse toegang tot hem moet voor iedere gelovige openstaan. Onder hem, in hiërarchische zin, staan echter andere goden, zijn kinderen, die ooit naar de aarde kwamen. Een van de Ashanti-vertellingen verhaalt hoe een man, Di Amono, in het bos opeens een brandende ‘Steen’ zag. Dat was het teken dat de goden geland waren.

Een van de belangrijkste episodes van hun geschiedenis speelde zich af aan het begin van de regering van koning Osai Tutu (1695-1731). De beroemde medicijnman Anochi was naar Osai Tutu gekomen en sprak tot hem: ‘Grote hoofdman Osai, het verheugt Nyame [God] u het koninkrijk van Ashanti en alle Akan-sprekende volkeren te schenken. Als u de Grote Raad met alle clanhoofden van het rijk bijeenroept, zal ik de ceremonie voltrekken waarmee u als nationaal monarch bevestigd wordt. Het is Gods wil.’

De Grote Raad van de Ashanti kwam bijeen en Anochi smeekte zijn god om hem een teken te geven. Op dat moment richtten aller ogen zich naar de hemel. Uit de hoogte daalde een gouden ‘zetel’ langzaam naar de aarde af, om ten slotte op de grond te landen.

Anochi begreep in een flits wat er gebeurde en verkondigde: ‘Deze zetel bevat door Gods wil de ziel van de natie Ashanti. Nooit mag een ander op deze zetel zitten, en niemand mag hem uit Ashanti verwijderen, anders zal alle mensen een groot ongeluk overkomen.’

Dankzij de krachten van deze ‘goddelijke troon’ overwonnen de Ashanti voortaan al hun vijanden. Pas toen de Britten met hun superieure wapentechniek Afrikaanse landen tot koloniën maakten, namen de lotgevallen van de Ashanti een negatieve wending. Na een belegering van Kumasi en fel verzet moest de Asantehene Prempeh zijn rijk overgeven. De vrees dat de Gouden Zetel door kanonvuur beschadigd zou kunnen worden had de doorslag gegeven. We kunnen ons nog steeds de woede en verontwaardiging van de Ashanti voorstellen toen de Engelse gouverneur, sir Hodgson. op deze heilige zetel plaats wilde nemen.

De hemelse troon verdween in elk geval, en de koning begaf zich in ballingschap naar de Seychellen, ten noordoosten van Madagaskar. Dertig jaar later gaven de Engelsen de Gouden Troon terug aan de inmiddels grijs geworden koning en herstelden ze hem voor korte tijd in zijn ambt, voor hij stierf.

Het is mogelijk dat de geschiedenis van de Gouden Troon die uit de hemel afdaalde een slimme vondst is van de Ashanti-koningen om hun macht te legitimeren. En dat de vermaarde medicijnman Anochi een goocheme goochelaar was, die het gouden object door een of andere truc op het juiste moment schijnbaar uit de hemel liet afdalen. Het kan zijn dat de hele legende op bedrog berust, waarin intussen nog altijd drie miljoen Ashanti heilig geloven. Maar als het eens geen verzinsel is? Dat zouden we eens moeten uitzoeken. Misschien is de regerende Asantehene Opoku Ware II veel openhartiger dan menig ander geestelijk leider en kan hij met een omzichtig onderzoek van zijn ‘zitgelegenheid’ instemmen. Dat zou dan voor beide partijen de moeite waard kunnen blijken...

Japan, 1946. De Japanse keizer, tenno Hirohito, zweert tijdens zijn nieuwjaarsboodschap onder druk van de Amerikaanse regering zijn eigen goddelijkheid af. Daarmee stort de geloofswereld van talloze Japanners in. Zijn onderdanen begrijpen niet wat dit te betekenen heeft. Hoe kan tenno Hirohito, die zij als god ‘binnen de negenvoudige wolk’ vereren, afstand doen van zijn verheven status. En dus trekken ze op 2 januari 1954, kort na het einde van de Japanse bezetting, weer met honderdduizenden tegelijk naar het paleis voor de traditionele massa-audiëntie. De Japanse ‘Chrystantentroon’ had slechts even gewankeld onder de democratische stormloop van Amerika. Natuurlijk ontkwam het keizerlijk huis er in de moderne tijd, met zijn grotere openheid, niet aan profaner te worden. Maar nog altijd is driekwart van de Japanse bevolking vóór het oudste keizerrijk van de wereld onder Akihito, de zoon van Hirohito.

Toen in 1926 de laatste god-keizer geïnstalleerd werd was het tenno-systeem al heel oud. Onlangs ontdekten Japanse archeologen ten oosten van Osaka in het dorp Asuka een ronde Kitora-grafheuvel. Ruim 1300 jaar lang had in het binnenste daarvan een twaalf bij twee centimeter metend houten plankje bewaard gelegen. En in Kanji-schrift was daarop het woord ‘tenno’ te lezen. Het gaat hier waarschijnlijk om de oudste schriftelijke weergave van dat woord. Enkele maanden later openden de Japanse ar­cheologen een andere grafheuvel in Asuka. Deze was drie meter hoog en had een doorsnede van dertien meter. Het ontstaan van die grafheuvel wordt eveneens in de zevende eeuw n.Chr. gedateerd. De eigenlijke sensatie bevond zich onder het beschermende oppervlak, want binnenin troffen de archeologen een beschilderde stenen kamer aan. Verbluft ontdekte men een buitengewoon precieze sterrenkaart, waarop zelfs de hemelequator is ingetekend. Vermoedelijk is het de oudste van dergelijke astro­nomische kaarten ter wereld. De tenno-graven lijken nauw verband te houden met deze kosmische afbeelding. Want ‘tenno’ betekent letterlijk goddelijk wezen’.


In uit de Jajoi-periode stammende graven op Noord-Kioesjoe vonden de archeologen zwaarden, spiegels en juwelen, de latere onderscheidingstekens van de troon, die al aan het begin van de Japanse mythologie opduiken. De Japanse keizers van de twintigste eeuw, Taisho, Hirohito en Akihito, kregen bij hun troonsbestijging diezelfde drie symbolen overhandigd. Ook op de drempel naar het derde millennium blijft Japan aan zijn mythologische overlevering en zijn traditionele shinto-religie vasthouden.

De drie symbolen gaan terug op de goden van de oudste tijden, die aanvankelijk de heerschappij over de aarde uitoefenden en landden op een eiland waar een godenpaar een ‘hemelzuil’ oprichtte. Toen hun invloed dreigde af te nemen, zonden de goden Ninigi, de ‘kleinzoon’ van de godin Amaterasoe, naar de aarde. Hij stond voortaan onder bescherming van de drie objecten.

Volgens de legende landde hij, uit de hemel komend, op een berg in Hyüga (Zuidoost-Kioesjoe), dat destijds cultureel onderontwikkeld was. Van daaruit stuurde hij zijn zoon Kamoe Yamato Iware Hiko, ook Jimmoe tenno genaamd, naar het centrale deel van Japan, waar deze in het jaar 660 v.Chr. het rijk Yamato stichtte. Daarmee werd hij de eerste van de tot nu toe 125 tenno, die hun geslachtslijn rechtstreeks van de zonnegodin Amaterasoe en haar hemelse kleinzoon Ninigi afleiden.

Nog altijd worden de voorwerpen die Ninigi naar de aarde meebracht door de Japanners bewaard als hun meest heilige relikwieën. De raadselachtige spiegel bevond zich na het contact tussen goden en mensen aanvankelijk in het keizerlijk paleis. Tijdens het bewind van de tiende Japanse keizer, Soejin tenno (eerste eeuw voor Christus), werd de verheven spiegel, symbool van goddelijk gezag, door de keizerlijke prinses Mikoro naar Ka­sanoeinomoera overgebracht. Onder het bewind van imperator Soeinin (4 v.Chr.) verhuisde hij ten slotte naar zijn huidige bewaarplaats in de stad Ise. Het tempelcomplex van Naikoe wordt sindsdien als hoogste Japanse heiligdom beschouwd. Dit sanctuarium bevindt zich op een eiland in de rivier de Izoezoe, op de plekwaar de godin Amaterasoe Imikami aan de mensen verscheen.

Sinds de derde eeuw wordt het cipressenhouten gebouw om de twintig jaar in een exact vastgelegde ceremonie tot in de details nauwkeurig vernieuwd. (De laatste reconstructie vond in 1993/’94 plaats; het was de eenenzestigste sinds het begin.) Oorspronkelijk hadden alleen de koninklijke familie en haar priesters toegang tot het sanctuarium. Maar sinds de negentiende eeuw is deze tempel ook voor de eenvoudige gelovigen openge­steld. Jaarlijks trekken zeven à acht miljoen pelgrims ter aanbidding van de heilige relikwieën naar Ise.

De buitenaardse (?) spiegel wordt sinds eeuwen onafgebroken in doeken gehuld en buiten het zicht gehouden. Niemand mag hem zien. Alleen een pas ingehuldigde tenno mag zich rechtstreeks naar de geheimzinnige kristallen spiegel begeven om het teken van zijn goddelijkheid aan te raken.

Als de toenadering van de Japanse god-monarchie uit het ‘binnenste van de negenvoudige wolk’ tot de moderne wereld van de eenentwintigste eeuw onder kroonprins Naroehito wordt voortgezet, dan verleent Zijne Majesteit misschien ooit audiëntie aan wetenschappers die in het mysterie van de kristallen spiegel geïnteresseerd zijn. Die soort kamikaze zou zeker niet de slechtste zijn, want ‘kamikaze’ betekent ‘godenwind’. Moge die ten bate van de gehele mensheid even verfrissend door de eerbiedwaardige hallen van antieke tempels als door de collegezalen van universiteiten waaien.

SETA 4: Bewijzen in musea

Sulawesi. We keren nogmaals terug naar de eilandenwereld van Indonesië. De vorsten van Gowa werden, zoals wij al hebben verteld, gekroond op die plek op Sulawesi waar hun voorzaten, uit de kosmos komend, op aarde geland waren. Zij zagen zichzelf als rechtstreekse afstammelingen van die hemelse bezoekers. Volgens het oudste manuscript uit het rijk van Gowa dat wij kennen, uit het jaar 1565, moet dat koninklijk geslacht omstreeks het jaar 1300 aan de macht zijn gekomen. De ‘Lontara Gowa’ vertelt in Sanskriet-schrift hoe uit de ‘godenhemel’ een vrouw naar de aarde kwam. Haar naam was Tumanurung, ‘zij die afdaalde’. Ze trouwde met de sterveling Karaeng Bayo, verenigde enkele vorstendommen en stelde een rijksraad in. Na een tijdperk van vrede en welstand steeg ze weer naar de hemel op. Haar zoon Massalangga Baraya bleef echter op aarde en werd de voorvader van de latere heersers. Van deze oorsprongsmythe bestaan in Zuid­Sulawesi diverse schriftelijke en mondelinge varianten. Op een kilometer of tien van de hoofdstad van het eiland, Ujung Pandang, staat in het centrum van de kleine plaats Sungguminasa het paleis van de voormalige Gowa-vorsten. De ‘Boala Lompoa’, zoals de residentie wordt genoemd, is tegenwoordig een museum. In 1936 werd het paleis gebouwd, in de traditionele Makasar-stijl. Het is van hout en staat op palen. Een kanon uit de zestiende eeuw is hier bewaard gebleven, en verder sieraden uit luisterrijke tijden en afbeeldingen van gewezen heersers. Maar de voornaamste attractie zijn de pusaka, de vorstelijke onderscheidingstekens. Als de schatkamer met toestemming van het bureau van de Bupati geopend wordt, kijkt men met verbazing rond in een vertrek waarin kaarsen en wierookstaafjes staan en als offerande betelnoten zijn neergelegd. Net als vroeger worden de symbolen van de Gowa-heersers in ere gehouden. Vroeger werden ze eenmaal per jaar tijdens de pelgrimsmaand op de dag ‘Han Raya Haji’ gereinigd door de priesterlijke ‘bissu’s’, een soort travestieten uit religieuze overtuiging, die een eigen esoterische taal spraken. Tegenwoordig worden deze ceremoniële reinigingen uitgevoerd door ambtenaren van de staat Indonesië. Vier gouden armbanden in de vorm van een op­gerolde slang met een wijd opengesperde bek en een zestien kilo wegende gouden kroon worden met passende eerbied tentoongesteld. Eén object ontbreekt echter, en dat is nu juist het interessantste. Het is de ‘Tanisamang’, een gouden ketting waarvan de oorsprong naar verluidt in de hemel lag en die mogelijke een buitenaardse artefact (categorie II) is. De godin Tumanurung had de ketting van een goddelijke kracht voorzien waardoor ze raadselachtige eigenschap vertoonde: als ze gewogen werd, wat jaarlijks gebeurde, bleek ze telkens weer een ander gewicht te hebben. De vorst verbond daar een voorspelling aan. Nam het gewicht toe, dan was dat een goed voorteken voor het land. Maar hoewel de hemelse ketting streng bewaakt werd, was zij op een kwade dag verdwenen. En van de dief natuurlijk geen spoor. Handelde deze in opdracht van een rijke verzamelaar? Wilde een bediende wat extra’s verdienen? Hadden de vorstelijke nazaten en hun priesters misschien de hand in de diefstal? Niemand weet het. We kunnen dus alleen maar hopen dat het mysterieuze object nog bestaat, en ooit weer voor de dag komt.

Maar ook andere minirijken beschikken over kleinoden die door de goddelijke voorouders geschonken werden, ook al waren die wat rang en macht betreft inferieur aan de onderscheidingstekens van Gowa. Birgitt RottgerRössler, die in de jaren tachtig etnologisch veldonderzoek deed in ZuidSulawesi, schrijft:

‘Een belangrijk element van de religie van de patuntung is, zoals in heel Zuid-Sulawesi, de cultus rond een pre-islamitisch heiligdom, dat een centrale plaats inneemt in het leven van de meeste familiegroepen en in het hoogland kalompoang (“grootheid”) wordt genoemd. Volgens het plaatselijke geloof gaat het daarbij om een voorwerp dat de eerste uit de godenhemel neergedaalde vorstin bij haar latere terugkeer naar de hemel achterliet, en dat sindsdien het dorpsgezag belichaamt, omdat volgens de overtuiging van de bewoners daarin de geest van die vorstin woont. Het heiligdom van Bontolowe wordt in een miniatuurbed in een bepaald huis bewaard, waar het door een vrouw, de “vrouwelijke adat” […] beheerd wordt. De functie van de kalompoang heeft zowel een politiek als een religieus aspect: ze legitimeert niet alleen de politieke macht van de dorpsregent, die immers altijd een rechtstreekse nakomeling van de goddelijke vorstin moet zijn, maar is tevens de machtigste bemiddelaar tussen de door hem bestuurde groep en de hoogste godheid.’

Bij bepaalde riten worden aan de kalompoang bloedoffers gewijd, want ondanks de islamisering geloven de bewoners van Zuid-Sulawesi dat dit voorwerp inderdaad bemiddelt tussen de mensen en de hoogste godheid. Of het resultaat van een onderzoek positief of negatief zou uitvallen? Eén ding staat vast: dat instrument van een symbolische communicatie met de goden is tastbaar aanwezig en verdient het serieus geanalyseerd te worden.

Chili. Over de Panamericana zijn wij op weg naar ons reisdoel. In het noorden van Chili, aan de rand van de Atacama-woestijn, bevinden zich reusachtige in de bodem geschraapte afbeeldingen, tot 120 meter lang, en verstrooid over een oppervlak van vijftigduizend vierkante kilometer. De datering ervan is lastig. Maar ze lijken te stammen uit de archaische periode, die ver vóór Christus begon. De oeroude zandschilderingen herinneren aan eigenaardige helmen dragende figuren, vreemde toestellen en hemelse gebeurtenissen.

Onze weg leidt door het centrale deel van las Cordifleras de Los Andes zuidwaarts naar een landschap met dodelijke zoutmeren en vulkanen waarvan sommige wel 6500 meter hoog zijn. Maar zelfs in deze onherbergzame streek leefden mensen, in een woestenij waar sinds daar vierhonderd jaar geleden Spanjaarden arriveerden geen druppel regen meer gevallen is.

De Cunza, indianen van de Atacamenos-stammen, die als nomadiserende jagers en verzamelaars hun bestaan rekten, hadden al duizenden jaren eerder deze verlaten streek tot hun leefgebied gemaakt. Later kregen ze contact met de imposante Tiahuanaco-cultuur aan het zeshonderd kilometer verder gelegen Titicaca-meer. Pas omstreeks 1450 strekte het Incarijk zich tot in die contreien uit.

San Pedro de Atacama is een kleine oase, op 2400 meter hoogte. Het afgelegen dorpje van 2500 zielen zou het niet waard zijn vermeld te worden als zich op die plek niet in de periode vóór de Spanjaarden het culturele centrum van de woestijn-indianen had bevonden en als daar niet in 1641 een kerk van cacteeënhout en breuksteen zou zijn gebouwd. Het was die kerk die in 1955 de Belgische pater Gustav Le Paige aantrok. Deze was behalve priester ook archeoloog. En in een tijdsbestek van ruim twintig jaar heeft hij in die omgeving 5500 graven blootgelegd, kruiken, vuistbijlen, gouden kettingen en andere voorwerpen opgegraven, een ceremonieel centrum bij de vulkaan Licancabur ontdekt en in San Pedro het modernste museum van Chili ingericht. Het pronkstuk van zijn werk is de oudste mummie van Amerika, en vermoedelijk van de hele wereld: ‘Miss Chili’, zoals de mummie genoemd wordt, heeft een leeftijd van 7810 jaar. De mummies in dat gebied zijn dankzij het droge woestijnklimaat in een verbazingwekkend goede staat gebleven, en bovendien was de ‘kennis die dat geheimzinnige volk van de menselijke anatomie had veel groter dan die van de Egyptenaren’. Opmerkelijk is dat de oudste mummies tevens de best gemummificeerde zijn.

Maar voor hij overleed zou deze missionaris-archeoloog de wereld nog een groot raadsel nalaten. In 1975 beweerde pater Le Paige dat hij op lijken van buitenaardse wezens was gestuit. Zijn letterlijke woorden waren:

‘Enkele mummies die ik vond hadden gelaatsvormen zoals wij die op aarde niet kennen... Men zou mij niet geloven als ik zou vertellen wat ik in die graven nog meer aantrof.’

In 1980 ontving de auteur Erich von Däniken een brief van pater Le Paige. Maar voordat Von Däniken naar Chili kon reizen, overleed Le Paige. In 1993 heb ik het museum van San Pedro bezocht. De vriendelijke onderdirecteur liet mij een slechts enkele centimeters groot gehelmd poppetje zien, dat hij als ‘het marsmannetje’ presenteerde. Ik moet eerlijk beken­nen dat ik daar nu niet bepaald een buitenaards wezen in kon zien. Zou pater Le Paige, eredoctor en onderscheiden met hoge Europese en Amerikaanse orden, met dat poppetje zijn internationale reputatie op het spel hebben gezet?

‘De padre,’ vertelde de onderdirecteur mij, ‘was al wat seniel voor hij overleed.’ Dat zou de eenvoudigste verklaring zijn en verdere onwelkome vragen over ‘los marcianos’, de ‘Marsmensen’, overbodig maken. Zeker. Maar het is een slechte verklaring. Want de éénenzeventigjarige Le Paige was nog altijd wel zo kras dat hij zijn parochie goed kon leiden, dat hij het museum kundig beheerde en dat hij doorging met zijn uitgebreide opgravingen, waarbij hij ‘buitenaardse wezens’ ontdekte. In zijn notities heeft hij het wel over een poppetje, maar hij betitelt dat slechts als grafgift. Waar zijn dus de vreemde lijken gebleven die voor de ervaren archeoloog en opgraver van talloze mummies aanleiding waren om de ‘schrik van de archeologie’, Erich von Däniken, te informeren? Dat zal voorlopig wel een geheim blijven, net als de verblijfplaats van de gevonden objecten. Liggen ze nog in de kelder van het museum, waar slechts oppervlakkig geïdentificeerde vondsten zijn opgeslagen? Werden ze overgebracht naar de katholieke universiteit van Antofagasta, die formeel de supervisie over de opgravingen had? Of belandden ze, evenals enkele kleinere artefacten, in het Nationale Museum in Santiago de Chile? Het gerucht doet de ronde dat er een film is gemaakt van de berging van de mysterieuze mummies en grafgiften. Ook die film is onvindbaar. Maar de brief die pater Le Paige nog bij zijn volle verstand schreef, die kan men niet wegredeneren. Daarin valt te lezen wat hij ook tegen een verslaggever met een microfoon zei: ‘1k geloof dat in de graven ook buitenaardse wezens lagen. Enkele van de mummies die ik vond hadden gelaatsvormen zoals wij die op aarde niet kennen.’

SETA 5: Bewijzen: begraven, verdwenen, verstopt

Peru. Wat weten wij eigenlijk over de mensen van de oude civilisaties van Zuid-Amerika? Wat weten we van een van hun belangrijkste culturen, die van de Inca’s? Een gevleugeld woord in de Andes luidt: ‘De historie van Peru vóór de Spanjaarden bestaat voor zestig procent uit speculaties, voor dertig procent uit waarschijnlijkheden en voor tien procent uit feiten.’ Prof. Hanns J. Prem van de universiteit van Bonn, een van de meest voor­aanstaande oud-amerikanisten, merkt op: ‘In de geschiedenis van het onderzoek valt de snelle wisseling van archeologische verklaringswijzen op, waarvan de trends volledig corresponderen met contemporaine ideologische stemmingen of met politieke gebeurtenissen.’ En de Zuid-Amerikaanse archeoloog dr. Zuidama is van oordeel dat ‘het enige wat wij over deze historie van deze volkeren met zekerheid weten de datum [is] van de verovering van het Inca-rijk door de Spanjaarden’.

Er bestaat vrijwel geen kritische literatuur over de Inca-geschiedenis. De meeste mensen weten daarom niet dat de wereld van de Inca’s toch niet zo eenvoudig was als populair-wetenschappelijke tv-programma’s en boeken ons wel willen doen geloven. Wie is er eigenlijk van op de hoogte dat de grote Inca-onderzoekster Maria Rostvorovski, zich baserend op auteurs uit de koloniale tijd, twee parallel lopende reeksen van Inca-heersers postuleert? In haar aanname van gelijktijdig regerende koningen staat zij overigens allerminst alleen. Er zijn goede redenen om te veronderstellen dat late Inca-heersers vanuit politieke overwegingen de historische werkelijkheid probeerden te verdoezelen. Volgens die visie zijn er bijna tweemaal zoveel heersers geweest als het tot nu toe aangenomen dertiental (van Manco Capac tot en met Manco Inca). Laten we de overleveringen van de Inca’s eens wat nader bekijken. Ten tijde van de achtste Inca-regent, Viracocha, trokken de vijandige Chanca’s tegen de koningsstad Cuzco op. Inca Viracocha en de troonopvolger namen de wijk voor het naderende gigantische leger. Cuzco scheen verloren. De geschiedschrijver Pedro Sarmiento de Gamboa vertelt:

Toen dat gebeurcle... en de Chanca’s Cuzco naderden, onderwierp Inca Yupanqui (een jongere zoon van de koning) zich aan een streng vastengebod en riep [de godheid] Viracocha en de zon aan om hulp, opdat zij de stad zouden redden. En toen hij op een dag in diepe zorgen in Susurpuquio vertoefde en overdacht hoe men de vijand kon afweren, verscheen aan de hemel een gedaante als de zon, die hem troostte en moed insprak om de strijd aan te binden. En de gedaante toonde hem een ‘kristallen’ spiegel, waarin deze hem de landen liet zien die hij zou onderwerpen; en de gedaante zei dat hij al zijn voorvaderen zou overtreffen en niet moest aarzelen maar zich tot ket volk moest wenden, want hij zou de Chanca’s die Cuzco aanvielen verslaan. Die woorden en de verschijning vervulden Inca Yupanqui van grote moed, en hij nam de spiegel mee, die hij voortaan altijd bij zich droeg, in oorlog en vrede, en keerde naar de stad terug...

Inderdaad wist Yupanqui - zoals hem voorspeld was - het superieure leger van de Chanca’s tijdens een bloedige veldslag de nederlaag te bezorgen en Cuzco en zijn volk van de ondergang te redden. Hijzelf werd de nieuwe heerser. Yupanqui besefte overigens heel goed dat hij niet met de zon had gesproken. Later trok hij zelfs het geloof in de goddelijkheid van de zon fel in twijfel. Maar wat had hij dan eigenlijk waargenomen? Het fantoom had zich als ‘zoon van de zon’ voorgesteld en hem de toekomst exact voorspeld. Sterker nog: de priesters die de woorden van de verschijning analyseerden kwamen hierdoor naar het schijnt te weten dat de komst van vreemde mannen, ‘baardige meesters van de bliksem’, aanstaande was.

Yupanqui had de verschijning zo duidelijk gezien dat hij in een kapel een vrij groot standbeeld ervan liet neerzetten. Hij beschrijft de waargenomen gedaante als volgt:

‘Zijn gelaat verschilde zeer van het onze; want hij had een lange baard. Zijn kledij omhulde hem tot aan de voeten, en hij had een onbekend dier aan een riem.’

Uit het achterhoofd van de man schoten drie verblindende lichtstralen, als stralen van de zon. De koning zou zich zelf met de vormgeving van het standbeeld hebben bemoeid, omdat zijn kunstenaars niet in staat waren zijn beschrijving precies te volgen. De conquistadores hebben dat beeld nog gezien en geloofden aanvankelijk dat het de Heilige Bartolomeus voorstelde.

Zulke verhalen zijn in het paleo-SETI- en UFO-Onderzoek niet onbekend. Yupanqui ziet blijkbaar een driedimensionale gestalte die vanuit een kristal op hem toetreedt. J. Fiebag heeft in zijn mimicry-theorie de gedachte geopperd dat in dergelijke gevallen door een ver geavanceerde intelligentie een virtueel beeld kan zijn opgewekt. Met die hypothese zouden niet alleen vele UFO-verschijnselen maar ook de zogenaamde Mariaverschijningen verklaard kunnen worden.

Wij weten dat de kristallen spiegel nog lange tijd als heiligste relikwie in een van de tempels van de rijkshoofdstad Cuzco bewaard werd. Maar we weten niet wat er daarna van dat object geworden is, en zelfs niet of het nog wel bestaat. Misschien zal echter ooit een toevalsvondst duidelijk maken welk bijzonder artefact in het bezit van de Inca-vorst Yupanqui is geweest. De verhalen over eindeloos lange tunnellabyrinten, die bij de gigan­tische muurrestanten van Sacsayhuaman beginnen, kunnen misschien de weg wijzen.

Felipe de Pomares, een Spaanse kroniekschrijver uit de zestiende eeuw, heeft daarover het volgende bericht nagelaten:

‘Het is een goed gefundeerde en algemeen aanvaarde mare, dat zich in de vesting van Cuzco (Sacsayhuaman) een geheim gewelf bevindt. Een nog levende dame, doña Maria de Esquivel, gade van de laatste Inca, heeft dat gewelf bezocht en mij verteld hoe het kwam dat zij die plek kon bezoeken en wat ze daar zag. Don Carlos (een kleinzoon van de laatste legitieme Incaheerser Huascar), de gemaal van de dame, hield er een niet met zijn hoge afkomst overeenstemmende levensstijl op na. Doña Maria maakte hem er daarom verwijten over dat hij haar, door met hoge titels zoals die van een Inca-heerser te pronken, tot het huwelijk met een arme indio had verleid. Ze herhaalde die verwijten zo vaak dat don Carlos op een avond uitriep:

“Mijn dame! Wilt u werkelijk weten of ik arm ben of rijk? Als u wilt, vergezel mij dan, en u zult ervan overtuigd raken dat ik meer rijkdommen bezit dan enige heer of koning ter wereld.”Nieuwsgierig geworden, stemde doña Maria ermee in dat zij werd geblinddoekt, waarna ze haar gemaal volgde, die haar, nadat hij verschillende omwegen had gemaakt, bij de hand nam en haar naar een ondergronds gewelf leidde, waar hij haar de blinddoek van de ogen nam en waar zij vele rijkdommen zag. In de nissen van de wanden bevonden zich de beelden van de Inca-heersers, levensgroot, van het fijnste goud gemaakt, alsmede grote hoeveelheden gouden en zilveren vaatwerk, sieraden van hetzelfde metaal, en al met al zo’n grote rijkdom dat ze ervan overtuigd was geraakt, naar ze mij later bekende, dat daar de grootste schat van de wereld lag opgeslagen.

De New Yorkse journalist Giorgios Tsoukalos vertelde mij dat hij in 1996 met een priester vanuit de Jezuietenkerk tot een vergeten gang was doorgedrongen. De Duitse televisiezender ARD meldde op 6 juli 1996: ‘Lima: op zoek naar de legendarische stad van de Inca-vorstin Catalina Huanca zijn onderzoekers onder de Peruaanse hoofdstad op een wijdvertakt catacombenstelsel gestuit. Waar de gangen naartoe leiden is nog onzeker, ze zouden bij een schat uit kunnen komen. Volgens de legende liet de vorstin goud- en zilverschatten in de omgeving begraven om ze voor de Spaanse veroveraars te verbergen.

De schrijver Wolfgang Siebenhaar wijst in dit verband op een expeditie van de Engelsman Charles W. Baker-Cresswell in het jaar 1962. Hij drong tot het nog altijd nauwelijks onderzochte grensgebied van Peru, Bolivia en Brazilië door. Hij was op zoek naar de schatten van Inca Huascar, die deze in 1528 (kort voor de verovering van Peru door de Spanjaarden) voor zijn broer en tegenspeler Inca Atahualpa in veiligheid liet brengen. De schat werd tot staatsgeheim verklaard. Alleen als men het juiste wachtwoord kende, kon men in de buurt van die plek komen, anders zou men het slachtoffer worden van een plichtsgetrouwe indianenstam, aan wie de Inca-heerser verteld had dat de wraak van de zonnegod hen zou treffen als de schat ooit in onrechtmatige handen zou vallen. Dat wij van het bestaan van die schat weten, is te ‘danken’ aan het verslag van de martelingen van Inca Tupac.

Wolfgang Siebenhaar heeft het spoor van de Baker-expeditie gevolgd. Hij wist erachter te komen dat Baker-Cresswell en zijn metgezellen in december 1962 voor het laatst levend gezien waren, toen ze met een bootje de Rio Purus op voeren. Twee jaar later deden diamantzoekers een akelige vondst:

het skelet van Charles Baker-Cresswell. Bij hem lag zijn dagboek. Daarin heeft hij het verloop van de expeditie genoteerd. Meermalen maakt hij in zijn notities opmerkingen die de aan Inca Tupac onder foltering ontlokte uitspraken bevestigen. Baker en de zijnen vonden een ongeveer vijftig meter brede krater, die door de inheemsen uit vrees gemeden wordt. Voor de indianen is bet een heilige berg, want op die plaats zou volgens hun legende een god op een vuurspuwende kano naar de aarde zijn gekomen. Ook Tupac Amaru sprak van een goddelijke, vuurspuwende kano, die nog vóór de eerste Inca op een nacht in bet Territorio de Acre naar de aarde kwam. Dat zou gepaard zijn gegaan met een lawaai van honderdmaal de donder, en de vuurstaart ervan had op zijn weg het hele land verbrand en alles ter aarde geworpen.’

Baker-Cresswells laatste aantekening, van 26 december 1962, luidt: ‘Toen wij bijna een halfuur gemarcheerd hadden, wees bet opperhoofd naar beneden. Ongeveer honderd meter dieper strekte zich een plateau uit, en in het midden zagen wij de tekening van de heilige condor, die bijna de hele ruimte vulde. Zij leek op de tekeningen van een bovenmaatse spin en een kolibrie waarvan ik in Lima luchtfoto’s had gezien. [Bedoeld worden de lijnen van Nazca, PF.1] De snavel van de condor wijst naar de tegenovergelegen berghelling. Daar ligt bet goud van Huascar! Zoals Tupac Amaru had ge­zegd bevindt zich op tien passen afstand van de snavel in de berg de ingang van de grot, die met Uanki , het cement van de Inca’s, is afgesloten. Toen zijn we naar bet plateau teruggekeerd. Beneden aangekomen stelden we vast dat daar eigenlijk niets te zien is. Dat wil zeggen: de tekening van de condor gaat daar helemaal op in het algemene beeld van bet van scheuren doortrokken gesteente.’

Daarna houden de aantekeningen op. Werden Charles Baker-Cresswell en zijn metgezellen achterhaald door de oude vloek van de Inca’s? Waken er in opdracht van een eeuwen geleden gestorven heerser nog altijd Indio’s over een mysterieuze schat? Deze bergplaats was bet resultaat van langetermijnplanning. Er werd een enorme afbeelding in de bodem gekrast, een landschapsgravure die alleen vanaf grote hoogte als zodanig te herkennen is. Was dat ook een teken voor een godheid, die in een donderende en vuur­spuwende ‘kano’ juist daar landde? Verborg Huascar, die zich als de legitieme Inca-keizer beschouwde, op die plaats het hoogste heiligdom van zijn volk, de kristallen spiegel die zijn voorvader ooit van een mogelijk buitenaards wezen had gekregen? Of bevindt dit object, dat wellicht een krachtig bewijs voor de juistheid van de paleo-SETI-theorie is, zich nog in de omgeving van de toenmalige hoofdstad Cuzco, waar de allereerste Inca’s ook hun twee raadselachtige staven in de aarde zagen wegzinken?

Ook de Azteken bewaarden voorwerpen die zij van hemelse wezens hadden gekregen. Toen de Spanjaarden Mexico veroverden, verborgen de indianen hun heiligdommen in grotten en spelonken. Dit document toont het geheime transport van hun idolen aan.

‘Zoekt en gij zult vinden,’ raadt de bijbel aan. De zoektocht naar het ondergrondse gangenstelsel en de (buitenaardse?) kristallen spiegel is begonnen. Elders zullen onderzoekers, gedreven door een van de creatiefste krachten van de mens, zijn nieuwsgierigheid, op zoek gaan naar weer andere met geheimen omgeven relicten, naar bewijzen voor wat anderen ‘onmogelijk’ achten. Zo zullen zij ook op zoek gaan naar de spoorloos verdwenen goddelijke ‘Verbondskist’ van het Azteekse idool Huitzilopochtli, die de Spaanse chroniqueur Fray Diego Durán zo sterk aan de bijbelse Ark des Verbonds deed denken en waarmee de Azteken in 1345 naar hun nieuwe thuisland, de vallei van Mexico, trokken. En ze zullen speuren naar de vuurslang’ van de indianen, die zij van hun ‘god’ kregen, die vernietigend als een laserstraal vijandelijke troepen neersloeg, en die hun koning Moctezuma nog tegen de Spanjaarden had willen inschakelen. Verder zullen ze zoeken naar de drie heilige tafelen van de Noord-Amerikaanse Hopi-indianen, die hun door wezens uit de ruimte waren nagelaten. Ook zullen onderzoekers op jacht gaan naar het verborgen boek van de mormonen, dat door de engel Moroni aan de profeet Joseph Smith werd overhandigd. En in de zand- en steenwoestijnen van Egypte zullen ze het spoor volgen van de legendarische negen objecten (schem) die volgens de legende ooit in het benben-huis in Heliopolis lagen en door de god Re aan de koningen van dat land aan de Nijl werden geschonken.

‘De mens trekt eropuit’, zoals prof. Reinhard Furrer onze eigen soort had beschreven, ook als hij hindernissen op zijn weg tegenkomt. De mens is er weer eens op uitgetrokken. ‘Sterrengoden?’ riepen de gevestigde wetenschappers hem toe, ‘buitenaards leven? — Bestaat niet.’ En weer antwoordde de mens: ‘Dat valt nog te bezien.’ toen begonnen mensen overal ter wereld in een gemeenschappelijke inspanning een netwerk te weven dat steeds sterker werd en intussen een stevig draagvlak is geworden. Of het nu gaat om de ruimtevaartmythologie van de Toradja’s op Sulawesi, of om de boodschap van de raket-obelisken in Egypte, of om de steengravures van gelande shuttles in het dal van de Indus, of om het genoom van de mens zelf — het fenomeen dat daarachter schuilgaat begint steeds duidelijkere contouren aan te nemen.

De mens heeft zich op de avontuurlijkste speurtocht van zijn bestaan begeven, een zoektocht naar zijn ‘goden’ en naar zichzelf. In wezen is die zoektocht al duizenden jaren oud. Onze generatie, de generatie van de nieuwe sterrenkinderen, die het heelal en de wereld der atomen onderzoekt, heeft misschien als eerste werkelijk een kans om die speurtocht tot een succesvol einde te brengen. Het mooie daarvan is dat ieder van ons, u en ik, de mogelijkheid heeft om aan die ontdekkingsreis deel te nemen. We moeten simpelweg doen wat de mens sinds zijn ontstaan altijd al heeft gedaan: eropuit trekken en zeggen: ‘Dat wil ik dan wel eens zien!’