Magische vehikels

De drie onderzoekers uit Leer presenteerden de resultaten van hun experimentele archeologie in 1998 tijdens de jaarvergadering van het Duitse Genootschap voor Lucht - en Ruimtevaart. De aanwezige wetenschappers -luchtvaartingenieurs, ruimtevaarttechnici en fysici - konden in hoge mate instemmen met de nieuwe interpretatie. Ze waren het er vrijwel unaniem over eens dat de constructie-elementen voor hen een onverklaarbaar fenomeen waren en niets gemeen hadden met vormen uit de natuur.Dr. Algund Eenboom gelooft dat de pre-Columbiaanse Indio’s, gezien het peil van hun natuurwetenschappelijke kennis, deze supermoderne aërodynamische vormen met hun spectaculaire vliegeigenschappen, die nergens in de natuur voorkomen, niet hebben kunnen construeren. ‘De logische gevolgtrekking daaruit is, dat de indrukken en beweegredenen die tot de vervaardiging van juist die vormen leidden, van buiten hun cultuurkring gekomen moeten zijn. Kunnen we dan een ander, intussen in vergetelheid geraakt cultuurvolk van deze aarde als bron aanwijzen? Een volk dat al 1500 jaargeleden een vliegtechnologie had ontwikkeld die minstens gelijkwaardig is aan onze huidige kennis op dat gebied? De wetenschappelijke wereld zou die vraag automatisch met een categorisch nee beantwoorden — en terecht!’
Maar dan zou alleen de buitenaardse factor als bruikbaar, logisch alternatief overblijven. Vijftien eeuwen geleden moeten indianen van de Tolima-cultuur vliegtuigen boven de kloven van het Andes-gebergte hebben waargenomen. Vervolgens moet zich dan eenzelfde gang van zaken hebben voorgedaan als we van de cargo-culten kennen. De verbijsterde inheemsen interpreteerden hun belevenis als een ontmoeting met goden. Ze begrepen niets van de techniek waarmee ze geconfronteerd werden, maar hun opmerkingsgave moet zeer goed ontwikkeld zijn geweest. Wat ze gezien hadden bootsten ze nauwkeurig na in kleine amuletten, die ze met motieven uit hun mythologie versierden. Want alleen op die manier kon de zo abnormale gebeurtenis in hun wereldbeeld geïntegreerd worden, zonder dat hun visie op het bestaan werd verpulverd door de even onmiskenbare als onbevattelijke realiteit.
Met behulp van de communicatiewetenschap kunnen we een beter begrip krijgen van de loop der gebeurtenissen. We weten allemaal dat een afbeelding kan fungeren als overdrachtskanaal tussen de visuele waarneming van een ongewone gebeurtenis en een latere ontvanger daarvan. Het gaat dan om een herhaling in twee - of driedimensionale vorm: een tekening, een reliëf, een sculptuur of iets dergelijks. Daarvoor heeft men een ‘datadrager’ nodig die zo goed mogelijk tegen de tand destijds bestand is. Een indiaan (de zender) zal anderhalf millennium geleden amper een ‘ontvanger' (respectievelijk doelgroep) voor ogen hebben gestaan die vele eeuwen later zijn boodschap moest ontvangen. (Overigens zijn ons wel zulke verhalen bekend; zo heeft farao Ramses II welbewust een papyrusbrief aan toekomstige generaties gericht.) Het zou wel eens op de eerste plaats de bedoeling van de kunstenaar kunnen zijn geweest om iets aan zijn eigen omgeving mede te delen, aan zijn medemensen of zijn goden, misschien ook ter herinnering aan en bewustmaking van een ongelofelijke, ‘goddelijke’ gebeurtenis. Werd zijn ‘bericht’ openbaar gemaakt, bijvoorbeeld op tempelmuren, in boeken of als zichtbaar gedragen amulet, dan zou dat bericht invloed uitoefenen op de ontvanger. Dat kan zijn koning zijn geweest, van wie hij misschien de opdracht had gekregen, of het priesterdom dat sacrale voorwerpen bewaakte, of gewoon maar zijn buurman, die de gebeurtenis eveneens had waargenomen. De kunstenaar werd dan met reacties geconfronteerd. Wij zouden zoiets tegenwoordig een ‘feedback’-effect noemen, een terugkoppeling. Het werk werd geprezen omdat het nauwkeurig afbeeldde wat aliën hadden waargenomen, of er werd op fouten gewezen. Er kan dus van een ‘stabiliserende invloed’ van andere waarnemers worden uitgegaan, die er uiteindelijk voor zorgde dat de afbeelding het ori­gineel zo sterk mogelijk benaderde.’In verband met de cargo-culten betekent dat volgens dr. Friedrich Steinbauer dat de artistieke activiteiten cruciale gebeurtenissen nabootsen en dat de uiterlijke verschijning van de aangekomenen, hun functies en hun apparaten magisch-ritueel worden geïmiteerd. Daarbij moet de ‘vervaardiger’ (die nauwlettend door de gemeenschap in de gaten wordt gehouden) er zorg voor dragen dat het waargenomene zo nauwkeurig mogelijk wordt weergegeven, om de impact ervan voelbaar te maken. Een zekere ‘dichterlijke vrijheid’ en aanpassing aan de eigen culturele en begripshorizon is daarbij niet uitgesloten, maar het pragmatische aspect blijft vooropstaan. Een uitstekend voorbeeld van de magisch - religieuze interpretatie van on­begrepen techniek is een relief op het eiland Bali.’ In Kubutarnbahan staat de ‘Pra Meduwe Karang’, de ‘Tempel van de Heer van het Land’. Daar vereren de Balinezen een mannelijke vruchtbaarheidsgod. Op de sokkel van het middenterras in de derde binnenhof bevindt zich de beroemde ‘bloemenfiets’. Op het eerste gezicht lijkt dit reliëf niets bijzonders — een door bloesem omrankte fietser — maar bij nader beschouwing blijkt het om een magisch rijwiel te gaan. Want de fiets rijdt zonder ketting en de tandwielen draaien in de verkeerde richting. De fiets wordt dan ook niet aangedreven door spierkracht maar door de bovennatuurlijke kracht van de godheid Vishnu. Dat maakt de religieuze symboliek duidelijk. Banden en spaken zijn vervangen door ranken, de goddelijke drietand van Shiva en heilige lotusbloemen.
Misschien heeft een inheemse kunstenaar in de negentiende eeuw een koloniale heer op een fiets zien rijden. Hij prentte de details van die wonderbaarlijke gebeurtenis in zijn geheugen en trachtte deze in de tempel der goden zo getrouw mogelijk weer te geven. Het eigenlijke technische principe was hem daarbij ontgaan. Hij interpreteerde wat hij gezien had vanuit zijn religieuze kijk op de wereld: alleen de bovennatuurlijke krachten van Vishnu en Shiva waren bij machte om het voertuig zonder trekdieren voort te bewegen. En precies dat gaf hij weer. Niettemin zal ieder van ons die dat relief te zien krijgt er, ondanks de religieuze ‘verbloeming’, dadelijk een functionerende fiets uit kunnen reconstrueren.
Kijkend naar de negentiende - en twintigste-eeuwse cargo-culten en hun afbeeldingen, is het een gewettigd uitgangspunt van het paleo-SETI-onderzoek om aan te nemen dat mensen in vroegere tijden een vergelijkbaar gedrag hebben vertoond. Zo legt de reconstructie die dr. Eenboom, P. Belting en C. Lubbers van de ‘gouden vliegtuigjes’ vervaardigden slechts de technische realiteit onder een religieus oppervlak bloot.
Op diezelfde nuchtere, rationele wijze zouden we ook andere aspecten van het Zuid-Amerikaanse verleden onder de loep moeten nemen. Zoals bijvoorbeeld de historie van de Inca’s, wier rijk maar een paar honderd kilometer van het gebied der Tolima-indianen verwijderd lag.

Vliegende grafgiften

De ongelofelijke gelijkenis van de gouden miniaturen met moderne vliegtuigen was overigens de auteur Erich von Däniken al eerder opgevallen.
Dr. Arthur Poyslee van het Aeronautical Institute in New-York heeft zich als eerste wetenschappelijk in deze gouden “hemelvliegers’ verdiept. Hij voerde proeven uit in een windtunnel en bevestigde de unieke aërodynamische eigenschappen ervan. Zijn resumé:
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat het object een vis of een vogel voorstelt. Niet alleen omdat dit gouden model diep in het binnenland werd gevonden en de kunstenaar nooit een zeevis zal gezien hebben, maar ook omdat men zich vogels met dermate precies uitgewerkte draagvlakken en verticaal geplaatste stabilisatievlakken gewoonweg niet voor kan stellen.
Dr. Algund Eenboom en de radarofficier van de Duitse luchtmacht samen met Conny Lübbers onderwierpen op hun beurt de vliegtuigjes aan een nader onderzoek. Ze bouwden ze na op schaal.
Welnu, de recente analyse van de pre-Columbiaanse grafvondsten die zich in Duitsland bevinden heeft inderdaad aërodynamische constructie-elementen (en supermoderne!!) aan het licht gebracht:

1. De deltageometrie van de vleugels in consequente laagdekkerspositie.
2. Het nauwkeurig in overeenstemming daarmee gedimensioneerde staartvlak met het hoog oprijzende richtingsroer alsmede bijpassende horizontaal geplaatste hoogteroeren.
3. De bijbehorende romp met een dierenkopsymbool aan de voorkant en een verticale spleet van ongeveer 2 à 3 mm tot aan het aansluitende rompsegment. Dat is vormgeven in een doelmatige compartimentstructuur, een constructie die ons bekend is van transportvliegtuigen en van de spaceshuttle.
4. Bijzonder opvallend is de volgens de modernste aërodynamische inzichten correcte situering van de bovenbeschreven afzonderlijke elementen met betrekking tot het zwaartepunt en de manoeuvreerbaarheid van de gehele constructie. Dat komt eveneens tot uiting in de correcte dimensionering en proportionering van de vleugels, de romp en de staartvlakken. Samengevat beantwoorden deze details aan het “abc van de moderne vliegtuigbouw” en passen ze bijvoorbeeld niet bij toestellen uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog.

In 1996 ontmoette ik de drie onderzoekers op de luchthaven van Bremen. Met ingenieurs bespraken we de diverse gezichtspunten en overlegden we hoe het bewijs van de vliegtuighypothese geleverd zou kunnen worden. Peter Belting is niet alleen een enthousiast zweefvlieger en ballonvaarder maar ook zeer bedreven in het bouwen van vliegtuigschaalmodellen. Belting en Eenboom waren er in 1995 in geslaagd om aan de hand van negentiende-eeuwse werktekeningen op afstand bestuurbare modellen van bal­lons te construeren en daar openbare demonstraties mee te geven. Ze reconstrueerden hiermee een besturingstechniek zonder aandrijving die al sinds een eeuw niet meer in praktijk was gebracht. Het was dan ook Peter Belting die voorstelde om exacte modellen op grotere schaal van de gouden grafgiften te vervaardigen en aldus langs proefondervindelijke weg het al ‘onomstotelijke theoretische bewijs voor de onproblematische mathematisch-fysische berekening van deze objecten’ te leveren.
Lange weken van precisiewerk volgden. Op een zondag belde dr. Eenboom op. Geestdriftig verkondigde hij: ‘Ze vliegen werkelijk!’ En zo was het. Maar ze vlogen niet alleen, ze vertoonden daarbij ook nog eens verbazingwekende eigenschappen. Met een filmteam van RTL volgde ik enige tijd lang de inderdaad fantastische zweef, start - en landing manoeuvres van het gereconstrueerde minivliegtuig, dat de archeologen tot dan toe onder andere voor een ‘gevleugelde krokodil’ hadden versleten. Boven het vliegveld van Emden, waar de radiografisch bestuurde machine een startvergunning had gekregen, werkte ze een complete vliegshow af. Loopings, rolls turns werden zonder enige moeite uitgevoerd. En daarbij kwam niet de geringste aërodynamische zwakke plek aan het licht. Dr. Eenboom: ‘Het is bizar om met behulp van erkende natuurwetenschappelijke methoden weerlegbaar de functie van een object te kunnen vaststellen, en dan tegelijkertijd te beseffen hoe “volslagen absurd” dat toch correct verkregen resultaat is!
Er was nu eenmaal zo’n 1500 jaar geleden geen wetenschappelijke grondslag voor een dergelijke technologie. Pas in het recente verleden kon zoiets door hooggekwalificeerde NASA-ingenieurs worden verwezenlijkt. Maar daarvoor moesten ze eerst talloze windtunnelproeven en miljoenen computerberekeningen verrichten.’
Dat is precies het punt waar het om draait. Toen de eerste spaceshuttle de ruimte in werd gestuurd, had de lucht - en ruimtevaart al een hele geschiedenis achter de rug, die met de gebroeders Wright en met Otto Lilienthal pas echt was begonnen, maar daar voor al vele rnislukte pogingen met een vaak dodelijke afloop te zien had gegeven. Luchtvaartpioniers zoals Charles Lindbergh, die als eerste over de Atlantische Oceaan vloog, en constructies van tweedekkers tot en met straalvliegtuigen volgden. Maar zelfs na al die vliegervaringen durven ruimtevaartingenieurs het eigenlijk nog altijd niet aan om de Russische Buran-shuttle of de Japanse ruimtezwever ‘Hope’ het luchtruim in te sturen. ‘De kleine gouden objecten uit Colombia gooien dus de chronologie van de natuurwetenschappelijk-technische ontwikkeling letterlijk ondersteboven!’ schrijft dr. Eenboom. Experimentele archeologie kan kennelijk tot verbazingwekkende resultaten leiden. De drie ‘herontdekkers’ van het ‘antieke’ vliegtuigje zijn zich terdege bewust van deze ‘grotesk-schizoïde’ situatie. Enerzijds is er de meervoudig bevestigde ouderdom van 1500 jaar. Maar anderzijds zijn er de aërodynamische berekeningen en de bewijzen dat een indiaanse cultuur in het Zuid-Amerikaanse Andes-gebied verbluffend adequate modellen heeft vervaardigd van toestellen die echt kunnen vliegen.
Dergelijke tegenstrijdigheden doen zich overigens keer op keer in de wetenschappen voor. Een algemeen aanvaard verklaringsmodel, een zogenaamd paradigma, blijkt opeens anomalieën te vertonen. Dergelijke afwijkingen van het bestaande stelsel van opvattingen worden niet zelden eenvoudig genegeerd. Dat is dan weliswaar volstrekt onwetenschappelijk, maar dient ter bescherming van de eigen theorie. Een voorbeeld: toen astronomen een onregelmatigheid in de baan van de planeet Mercurius con­stateerden, paste dat niet in het wereldbeeld van de newtoniaanse fysici. Ze hielden zich daarom maar van de domme en deden alsof ze het verschijnsel niet hadden waargenomen, opdat ze niet het gevaar zouden lopen dat al het werk dat ze in het bewijzen van hun fysica hadden gestoken voor niets zou zijn geweest. Intussen hebben de anomalieën in de geschied - en oudheidkundige wetenschappen zich opgestapeld en zijn ze niet de wereld uit te krijgen. Veel wijst erop dat ons verleden op belangrijke punten anders moet zijn verlopen dan wordt aangenomen. Hoe lang moeten we nog wachten tot het traditionele beeld van de geschiedenis wordt herzien? Nog steeds weigeren de oude, conservatieve representanten van de diverse vakgebieden hun oogkleppen af te zetten. In het geval van de ‘gouden vliegers’ verschansen zij zich achter onhoudbare, soms zelfs ridicuuI aandoende uitvluchten, en komen ze met vliegende vissen, insecten, vogels en gevleugelde krokodillen aanzetten. Maar wie ook maar enige kennis heeft van de biologie van onze planeet - en dat zou men toch ook van archeologen en etnologen mogen verwachten - weet dat alle vliegende diersoorten op aarde hoog- en schouderdekkers zijn. Dr. Eenboom15 schrijft daarover:
‘De vleugels van vogels zijn altijd daar geplaatst waar wij mensen onze armen hebben. Een vergelijkbare positionering treffen we aan bij insecten en vliegende vissen. Laagdekkervormen zijn absoluut tegennatuurlijk. Insecten vallen wat dit betreft als “voorbeelden” af, omdat zij een hyperinstabiel vlieggedrag vertonen, dat wil zeggen permanent tegen bun neerstorten op moeten roeien. De gouden objecten daarentegen vertonen zelfs bij een zweefvlucht uitnemende vliegeigenschappen, zoals wij die verder al­leen van zeer moderne vliegtuigen kennen. Bovendien komt nergens in de natuur een dergelijke staartvlakanatomie in combinatie met richting - en hoogteroeren voor. Elke scepticus kan zich er zelf van overtuigen dat de pre-CoIumbiaanse indianen, ondanks alle “vervreemdingsvarianten”, bij het afbeelden van diersoorten altijd de anatomische basisstructuur intact hebben gelaten.’

De zonen van de zon

Want het is werkelijk een betoverende ervaring. De opwinding die men bij een ontdekking voelt keert steeds terug, dat plotseling opwellen van ongelofelijke blijdschap als men beseft dat het voorwerp dat men in de hand heeft of zojuist met een graaflepeltje aan de bodem heeft ontfutseld wéér een stukje van de legpuzzel is, dat het beeld van wat al bekend is aanvult en nieuwe perspectieven opent.

Geoffrey Bibby, Ontdekker van het rijk van Dilmun
Over de hele wereld hebben oude culturen objecten nagelaten die ons aan moderne raketten, landingscapsules en vliegtuigen doen denken. Is die gelijkenis puur toevallig? Of kunnen we er vanuit gaan dat het hier om werkelijke afbeeldingen van dergelijke toestellen gaat? Ja, zeggen de experts. Het spoor van de sterrengoden leidt ons nu naar Zuid-Amerika.
Langs oude sporen door Zuid-Amerika

In 1893 zeilde de reconstructie van het Gokstadt-schip, dat ooit door vikingen was gebouwd, vanaf Noorwegen dwars over de Atlantische Oceaan naar de wereldtentoonstelling van Chicago. Daarmee was een nieuwe tak van archeologisch onderzoek geboren: de experimentele archeologie. Vijftig jaar later voer Thor Heyerdahl met de Kon Tiki (papyrusboot) dwars over de Stille Oceaan. Kortom men tracht de feiten na te bootsen liefst zo gedetailleerd mogelijk.
Een klein artefact werd door 3 Duitse museumbezoekers dr. A. Eenboom, P. Belting en C. Lübbers in een Zuid-Amerikaans museum ontdekt. De geschiedenis van dit kleien gouden artefact begint 1500 jaar geleden in een dichtbeboste vallei aan de middenloop van de rivier de Magdalena in Colombia. In die vallei, en in de Cauca-kloof, die er parallel aan loppt, was een verbazingwekkende indianencultuur tot ontwikkeling gekomen. De Tolima-cultuur, had een export-hit: edelsmeedkunst waarbij het fijnste filigrein werd gebruikt. De dessins die ze daarbij creëerden worden door de archeologen met de nietszeggende term ‘mythische wezens’ aangeduid.
Sinds kort weten we dat in Zuid-Amerika al in 1410 vc. Metaal werd bewerkt. Archeoloog Richard L. Burger en geoloog Robert B. Gordon ontdekten in november 1998 in het Lurin-dal (bezuiden Lima) in de buurt van een oude tempel, bewerkte en flinterdunne gouden miniatuurfloretten. Deze hadden een dikte van tussen de 0,1 en 0,05 millimeter. Ik was verbijsterd schrijft Burger, wan t die vroege metaalbewerkingen zijn karakteristiek voor de volgende drie millennia.
Metaal werd in het centrale Andes-gebied tijdens de ‘Vroege Horizon’ (900 – 200 vc) steeds meer het materiaal voor religieusartistieke uitingen. In het zuiden van Colombia wordt tijdens de Ilma-fase (vf 800 vc) voor het eerst goud bewerkt. Haar hoogtepunt bereikt de vormgeving van edele metalen uiteindelijk tussen 300 en 1000 nc. In het Calima-district en in het middendeel van het Cauca-dal. Beide culturen liggen in de directe omgeving van de Tolima-indianen. Gelet op de motieven en de technische bewerking bestaat tussen hen een nauwe verband.
We komen in hun artistieke creaties wezens tegen met helmen welke op die van astronauten lijken. Ze zijn afgebeeld op het kostbaarste materiaal dat de indianen kenden : legeringen van goud en zilver, van koper en zilver of van goud en platina. Een typische legeringverhouding in Tairona was 36,6% goud, 39,7% koper en 3,6% zilver. Het is nog altijd verbazingwekkend dat de anders in technisch opzicht zo primitief levende stammen hier kennelijk langs elektrochemische weg hun heilige objecten met de gewenste legeringen wisten te veredelen. Vermoed wordt dat zij met plantaardige sappen het oppervlaktegeleidingsvermogen vergrootten en zo een ionenstroom op gang wisten te brengen die de veredeling van hun kunstproducten bewerkstelligde. Om nog onopgehelderde reden raakte deze metaalbewerkingkunst in 1100 in verval. En juist uit deze Tolima-cultuur stammen de merkwaardige nalatenschappen uit de zesde eeuw van onze jaartelling die ogen als gouden miniatuurvliegtuigjes. De betreffende objecten zijn pre-Columbiaanse schachtgrafvondsten die ronde overgang van de 19de naar de 20ste eeuw werden gedaan. Door de toenmalige archeologen werden deze objecten getypeerd als ‘Tairona, zoömorf of als biomorf, en verder ook geïnterpreteerd als voorstellingen van insecten, vissen of zelfs gevleugelde krokodillen. Deze collectie benamingen doet vermoeden dat de wetenschappers die ze bedacht hebben over de nodige fantasie beschikten, maar een inzicht in de werkelijke geestelijk-religieuze achtergronden van de objecten komt hiermee niet bepaald dichterbij.

Galerij van beeldraadsels

Zeer oude afbeeldingen van vliegende toestellen vindt men op rotsgravures in het dal van de Indus, vlak bij de Nanga Parbat. Daar werden er zo’n dertigduizend afzonderlijke tekeningen ontdekt, alsook vijfduizend inscripties in tien verschillende talen.
Deze gravures dateren deels uit de prehistorie, en sommige zijn wel achtduizend jaar oud. Vanaf de 1ste eeuw nc. Tot omstreeks het jaar 1000 ontstonden talloze boeddhistische symbolen, maar vooral stoepa-afbeeldingen. De jongste stammen uit de pre-islamitische periode van de 14de-15de eeuw, toen zonnesymbolen in waren.
De rotstekeninggalerij biedt ruimschoots stof voor unieke socio-religieuze en multiculturele historische studies.
Sommige van de gegraveerde wezens dragen helmen voorzien van antennes. De niet tot astronautentheorieën genegen archeologen zien daar eerder een haren – of stralenkrans in.
Er kan voorlopig het volgende worden vastgesteld:

1. De dertig afbeeldingen van de ‘reuzen’ behoren tot de oudste gravures.
2. Ze onderscheiden zich door hun uitzonderlijke lengte, meer dan twee meter.
3. In de loop van de duizenden jaren na hun ontstaan werden ze nooit aangetast: er werden geen delen van weg geschraapt en er werd ook niet overheen gegraveerd. Men liet ze bovendien steeds apart staan, d.w.z. : er werden geen nieuwe tekeningen in de directe nabijheid ervan gemaakt.
4. Ze staan wijdbeens en met uitgestrekte armen.
5. Ze dragen ‘helmen’ met ‘antennes’.
6. De scheppers van deze afbeeldingen zijn, evenals de redenen die ze voor het maken daarvan hadden, onbekend.
7. Door de archeologen zijn ze, vanwege het unieke van hun weergave en het feit dat ze apart staan van andere tekeningen, als ‘hogere wezens’ geclassificeerd.

In de rotswanden van Karakoram werden honderden stoepa’s gebeiteld. Ze komen aangevlogen als ruimteschepen of lijken op neergedaalde maanlanders met antennes op hun koepelvormige bovenbouw, landingspoten, uitstapluiken en naar de grond leidende ladders. Ernaast staan grote gedaanten en erboven zweven eigenaardige apparaten.
Wat kan daar, op dat kruispunt van religies en culturen, aeonen geleden zijn voorgevallen waardoor in zo’n grote getale dergelijke afbeeldingen ontstonden?
Of het nu om stoepa’s, vimâna’s of obelisken gaat: achter de heilige afbeelding gaat steeds dezelfde grondgedachte schuil. Want wat valt er bvb. Alleen al in de Indische Mahâbhârata (tekst 1) of in de Egyptische Unas-geschriften (tekst 2) te lezen?

1. ‘En arjuna wenste dat de wagen van Indra, de heer der hemelen, hem zou naderen, opdat hij hem kon bestijgen zoals eens zijn voorzaat Duschmantas, om hem, de sterrenbanen doorkruisend, thuis te brengen naar zijn hemelse paleis. En met Mâtali, Indra’s wagenmenner, verscheen opeens in glanzend licht die wagen, duisternis uit de lucht verjagend, alle hemelstreken vullend met geraas als de donder.

2. Gemaakt wordt voor hem, voor Unas, een plateau, opdat hij vandaar ten hemel opstijge. ‘En hij stijgt op op “rook” van de grote “roking”. Hij vliegt en neemt plaats op de lege troon, die in uw schip is, oRe! Deze Unas zet zich af van de aarde. De “wegopener” heeft Unas ten hemel doen vliegen naar de gemeenschap van zijn broeders, de goden. Vliege wie vliege kan, gij mensen, daar vliegt Unas van u heen!

De schilderingen van de anderen

Naast Egypte en Soemerië bestaat in de Indiase cultuursfeer buitengewoon veel informatie over mogelijke contacten met de ‘Anderen’ (intelligente wezens van buiten de aarde). Lutz Gentes die een vergelijkingsmethode heeft ontwikkeld ter bestudering van de psychologische verschijnselen die zich kunnen voordoen bij een plotselinge interactie tussen technologisch ver gevorderde en minder hoogontwikkelde culturen, heeft in dat kader ook de epische literatuur van India geanalyseerd. In zijn werk “Die Wirklichkeit der Götter” citeert hij een passage uit het “Purâna-epos”. Kennelijk wordt daarin een gevecht (of iets wat de warnemer daarvan zo interpreteerde) tegen een zogenoemd ‘Saubha-vliegtoestel’ van Shâlva beschreven:

De door Mâyâ gebouwde luchtwagen Saubha was echter een zo wonderbaarlijk geconstrueerd toestel, dat het soms als een groep en soms als één ding verscheen en nu en dan onzichtbaar was.
Voor de vijanden (de Yâdavas) was het daarom heel moeilijk, het te onderscheiden of zijn eigenschappen te begrijpen, en waar het zich telkens bevond.
Soms was de Saubha op de grond, soms vloog hij door de hemel; van tijd tot tijd rustte hij op de top van een berg, en soms dreef hij op het water.
Bij tijden wervelde hij rond als een uitslaande brand en hield hij nergens stil.

Dat merkwaardige toestel wordt telkens weer waargenomen als het vrijwel onaantastbaar, op enekel kilometers afstand, in de hemel zweeft. Maar tenslotte weet de goddelijke Krishna een voltreffer te plaatsen en dreigt de vliegende vesting neer te storten. De “Mahâbhârata” becommentarieert de gebeurtenissen als volgt:

Toen Shâlva, de heer van saubha, de getroffen inzittenden zag vallen, betrok hij mij in een tovergevecht….
Hij slingerde raketten naar mij, projectielen….
Vlammenwerpers –onafgebroken.
De hemel, grote koning, leek enkele honderden zonnen,
Enkele honderden manen te bevatten…en enkele honderden myriaden sterren.
Dag nog nacht waren te herkennen, noch de windstreken….

Dergelijke oorlogsvoeren komen ons, die de moderne oorlogvoering kennen, niet zo vreemd voor. Duizenden jaren geleden konden mensen dat hemelse inferno echter alleen magisch, als tovenarij verklaren – en dat valt vanuit een gedragspsychologisch standpunt heel goed te begrijpen.
Als we aan een laag overvliegende straaljager of de lancering van een raket denken, kunnen we er een vermoeden van krijgen hoe iets dergelijks lang geleden moet zijn overgekomen op toeschouwers die onmogelijk konden begrijpen wat er gebeurde: ze schrokken zich dood. In het epos Mahâbhârata wordt deze onheilspellende ervaring heel aanschouwelijk beschreven:

In die tijd ontstond aan de hemel het tumultueuze geluid van alle muziekinstrumenten van de hemelwezens,
Het lawaai van wagenwielen en het luiden van klokken…
Roofdieren, klein wild en alle soorten vogels brulden en schreeuwden alom, en Ghandarvas en Apsarâs volgden van alle kanten de koning der goden (Indra), die de vijand bestreed, in hun wagens die als de zon waren…

Ruimtestation Uruk

Er zijn plaatsen waar de tij in eeuwigheid overgaat. Een dergelijk oord bevindt zich tussen de Eufraat en de Tigris (het Tweestromenland), daar stond ooit de wieg van onze beschaving. Eerst vond er een agrarische revolutie plaats en nadien ontstonden de eerste steden en daar schonken de goden de mensen het schrift. OP 20 km van de Eufraat liggen, bedolven onder het zand en stof, de ruïnes van de ooit belangrijkste koningsstad van Mesopotamië, Uruk. Meer dan 5000 jaar werd deze stad bewoond, en haar oorsprong gaat terug tot 5900 vc.Hoge muren omsloten een areaal van 400 hectare, in haar centrum stond een uit bakstenen opgetrokken zigoerat (torentempel). Inana, de godin van liefde en oorlog werd er aanbeden, al 4000 jaar bezong een onbekende Babylonische dichter het luisterrijke Uruk: Aanschouw haar muren, stralend als koper, bekijk haar binnenmuur, die zijn weerga niet kent. Betast de drempel, die oeroud is…Klim op de muur van Uruk, kijk naar de sokkel en bestudeer het tegelwerk.

Begin de 20ste eeuw onderzochten Duitse archeologen de ruïnes van Uruk. Ze stuitten op bestuursgebouwen, die met veelkleurige mozaïekornamenten versierd waren, keramiek, elegante sculpturen en overblijfselen van tempels. Twee ervan waren gewijd aan de hemelgod An, één van deze, de witte tempel, stond op een kunstmatig gevormde 20m hoge heuvel.
Onder het puin van duizenden jaren lag nog iets waardevollers: honderden notitietabletjes van klei, gemerkt met een rolzegel, de hele lijsten van persoonsnamen, handelsbetrekkingen, hoeveelheden vee en handelswaren bleken te bevatten.
Omstreeks 3300 vc. Waren de Sumeriërs begonnen om dingen die zij vast wilden leggen met beeld symbolen in vochtige klei te griffen. Daaruit ontwikkelden ze, door te combineren met steeds complexere en abstractere pictogrammen, een taal van schrifttekens (het spijkerschrift). Een van de oudste geschriften van de Sumeriërs is de overlevering van Gilgamesj en Akka. Gilgamesj (of ook Bilgamesj), van wie men met zekerheid weet dat hij echt bestaan heeft, was de koning van Uruk, en Akka (of Enmebaragesi) de koning van Kisj. Deze gebeurtenissen deden zich voor zo’n 2850 vc. Zoals men uit de schriftelijke bronnen kan opmaken. Dr. Hermann Burgard heeft zich intensief in dat Oudsoemerische dichtwerk verdiept en in 1998 zijn resultaten gepubliceerd. Daarbij concentreerde hij zich voornamelijk op de regels 30-35, die door de Sumerië-expert W. Römer in een eerste versie aldus vertaald werden:

Van Unug, het ambacht(shuis?) van de goden, van Eannna, dat uit de hemel afdaalt, hebben de grote goden de uitwendige vormen geschapen,
Zijn (Unugs) grote muur,
Een stofwolk (?) die de aarde raakt,
Zijn (Ans?) verheven woning in An gesticht,
Hebt Gij verzorgd, Gij zijt de heldhaftige koning!

Dr. Burgard heeft woord voor woord en stap voor stap de van vraagtekens voorziene passages volgens de jongste inzichten bewerkt.

· Unug is een andere schrijfwijze van Uruk.
· ‘Ambacht(shuis)’ kan nauwkeuriger vertaald worden met ‘wapensmidse’ of ‘ smeltoven’ en kan in de context als een ‘soort ingenieur-soldaat’ worden geïnterpreteerd.
· Een verdere slotsom: de vertaling van het schriftteken “DINGIR” met “goden” is weliswaar gebruikelijk, maar strookt hier niet met de wortels van het woord. Af te gaan op de letterlijke betekenis van dat woord hebben we hier te maken met een groep “beslissingnemers” uit “vliegende objecten”.
· Eanna is normaliter de eigennaam van een tempel in Uruk. Deze behoorde toe aan An, d.w.z. de hoogste der DINGER. In het origineel staat ook niet ondubbelzinnig dat Eanna ui de hemel is afgedaald. Het valt eerder aan te nemen dat Eanna de plaats is ‘waar uit de hemel werd afgedaald’. En dat is ook een zinnige aanname, aldus Burgard, omdat een andere tekst verhaalt dat de DINGER-dame Inanna een “grote wijsgeer” dwong om samen met haar “in het midden van dat heiligdom van de hemel naar de aarde af te dalen”. En daar waar Römer “grote goden” leest, staat in het origineel tweemaal het Soemerische woord voor groot/lang. Daarmee worden echter geen tweemaal zo lange goden bedoeld, maar de "belangrijkste" DINGIR, hun bevelhebbers... .
· Als van de ‘uitwendige vormen’ sprake is die de DINGER geschapen hebben, kan dat nauwkeuriger worden vertaald in ‘bouwtekeningen’.
· Toen Römer het Soemerische woord ‘muru’ met ‘stofwolk’ vertaalde, knoopte hij kennelijk niet aan bij de vijf andere bekende tekstversies. Volgens die versies zouden de volgende varianten van de totale tekst mogelijk zijn:

‘Voor Uruk, de vurige wapensmidse van de ingenieur-soldaten van de beslissingennemers uit vliegende objecten, voor de tempel van An, de opperbevelhebber van deze vliegende objecten, waar uit de hemel afgedaald wordt, hebben de bevelhebbers van de DINGER de bouwtekeningen gemaakt. Dit grote bouwwerk
· Waar een wolk zich over de aarde verspreidt…
· Basis van An, waar vanaf de aarde gestart wordt…
· Waar de “heerlijkheid van An” van de aarde opstijgt…
· Een op de aarde gelegen opslagplaats van vliegtoestellen…
De verheven woning/woonplaats van An, door hemzelf gesticht, hebt Gij verzorgd. Gij zijt een heldhaftige koning!

Dankzij de nieuwe analyse die dr. Burgard op de spijkerschrifttabletten heeft losgelaten, kan na 5000 jaar de boodschap van deze tekst ontcijferd worden. In het Soemerische Uruk, waar de wortels van onze civilisatie lagen, bestond een complex dat volgens de plannen van de DINGIR-wezens, gebouwd werd. De gebouwen hadden iets met hitte en vuur van doen en van daaruit werd het ‘opstijgende en dalende verkeer (naar en van de hemel)’ gecoördineerd. We kunnen wel van een start - en landingsplaats spreken, maar moeten in het midden laten wat er met “hemel” bedoeld werd: vliegbestemmingen elders op de planeet aarde of reisdoelen in de ruimte.
De toestellen stegen op van op een verhoogde basis, waarbij ze door een wolk omgeven werden. Gilgamesj was beheerder het complex in Uruk. Een en ander vertoont opvallende overeenkomsten met het bijbelse verhaal van de profeet Ezechiël, die de ‘heerlijkheid des heren’ in vergelijkbare termen beschrijft, en dat zo gedetailleerd dat de NASA-ingenieur Josef Blumrich op basis daarvan een ruimteschip-landingsunit heeft weten te reconstrueren.
Ook bestaan er frappante overeenkomsten met de analyse van de benben-steen en zijn functie in Heliopolis. Beide hoogontwikkelde historische culturen (Egypte en Soemerië) geven onafhankelijk van elkaar dezelfde oorspronkelijke gebeurtenissen weer.
De gegeven analyse, schrijft dr. Burgard, zal duidelijk hebben gemaakt waarom vertalers bij voor hen onbegrijpelijke passages hun toevlucht nemen tot onzinnige beelden, die op een of andere manier natuurverschijnselen in het spel brengen… onze technologisch geïnspireerde interpretatie doorstaat echter de zogenaamde coherentietest, bevat met andere woorden geen tegenstrijdigheden – en dit geldt voor alle in de Soemerische taal gevonden versies! Idem voor de Egyptische variant.

Egyptisch dodenboek

In het Egyptisch dodenboek staat:
Gij sterrengeesten van Ioenoe [rakettenstad],
Ziet – een god werd zojuist geboren!
Volledig is het touwwerk van zijn hemelse bark….
Krachtig ben ik, om de wapens der goden te voeren!
Nu laat ik glijden mijn boot, en kijk!
Ik ben al midden in de hemel…
Verre houd ik van het heelal de kwalen.

De vliegende hemelbark vertoont overigens opvallende overeenkomsten met de dakconstructie van de Toradja-huizen. De Toradja’s staken op het einde van een rouwplechtigheid het ruimteschipachtige dodenhuis in brand, opdat de overledene zijn reis naar de sterren kan beginnen.
Toen Re terugkeerde naar de sterrenwereld, steeg zijn tuig op vanaf een vurig platform, ‘ Vlammeneiland’. Om die onbegrijpelijke gebeurtenis vast te leggen en aan komende generaties door te geven, bedachten de geleerden, priesters en schrijvers het symbool van de ben-vogel (Feniks). Hij wordt het zinnebeeld van de opstanding, de hergeboorte uit as ondanks de voorafgaande gloed (verbrandingsprocessen van de aandrijving). Tevens verwijst de vogel nar het vliegen van het tuig. In onze moderne wereld gebruiken diverse luchtvaartmaatschappijen een vogel als symbool voor hun bedrijf, en de NASA vernoemde maanlanders en ruimtecapsules naar vogels.
De plaats war deze wonderbaarlijke en gedenkwaardige gebeurtenis plaatsvond werd te herinnering daaraan jwnw, ‘rakettenstad’ genoemd. De latere naam , Heliopolis (zonnestad) stamt van de Grieken. Re is het Egyptische woord voor zon (zon in het Grieks = helios).
In Heliopolis zijn nauwelijks opgravingen uitgevoerd omdat het grotendeels bebouwd is (voorstad van Caïro). Enkel de obelisk van farao Sesostris I (1971-1926 vc) en wat slecht geconserveerde ruïnes is er niets te bezichtigen.
Wat zag men in latere tijden in de obelisken? Waarschijnlijk dienden ze als voorbeeld voor minaretten en kerktorens. Hoewel religies elkaar afwisselden, bleef een deel van de oorspronkelijke symbolische kern tot op de dag van vandaag bewaard.
Het ontstaan van de Egyptische mythen ligt vele duizenden jaren in het verleden, ze stammen uit een tij d waarin er nog geen schrift bestond. Ze is tevens complex en verwarrend. De elementen waaruit ze bestaat zin telkens op afzonderlijke plaatsen ontstaan, met elkaar verstrengeld geraakt en daardoor moeilijk te begrijpen. Toch slaagt men er nu in om stap voor stap alles te ontcijferen en te destilleren.
Zo ziet men dat in sommige teksten verbazingwekkende boodschappen schuil gaan. Alles hangt wel af van de interpretatie:
De hemel spreekt, de aarde trilt, de aarde beeft;
De beide gebieden van de goden roepen, de bodem breekt open,
Als hij over het gewelf vaart.
De aarde lacht, de hemel glimlacht, als de koning opstijgt naar de hemel.
De hemel juicht hem toe, de aarde beeft voor hem.
De donderende stem drijft hem voort; het dondert gelijk Seth.
De hemelwachters openen voor hem de deuren…
Zij zien de koning vliegen als een valk, als een god.
Om te leven bij zijn vaders, om te eten met zijn moeders.
De koning is een hemelstier, wiens buik vol magie is van het vlammeneiland.
Hij vliegt, deze koning…
Weg van u, van u stervelingen.
Hij is niet van de aarde, hij is des hemels.
Deze koning vliegt gelijk een wolk ten hemel, gelijk een vogel.

De stad van de Raketten

Een inscriptie in de stèle van de Egyptische koning Pianchi vertelt:
Farao Pianchi besteeg de trap naar het grote venster om de god Re in de benben te aanschouwen. De koning zelf, die daar helemaal alleen stond, ontgrendelde en opende de beide vensterluiken. Toen zag hij zijn vader Re in het glanzende open heiligdom van de hoet-ben-ben.

Pianchi leefde omstreeks 751 vc. En was één van de krachtige Nubische vorsten die met een groot leger richting Nijl trokken en daar de vijfentwintigste dynastie stichten. Of in die tijd de benben nog te bezichtigen was, valt niet te zeggen. Maar in elk geval toonde deze inscriptie aan dat de benben zelfs in die late periode nog altijd een rol speelde in de ideeênwereld van de Egyptenaren.
De stad Heliopolis, waar al deze gebeurtenissen plaats vonden, heette oorspronkelijk ‘jwnw’ (ioenoe). Ook pilarenstad genoemd, wat ontleend was aan de ioen-pilaar. Maar als deze pilaar niet voor een eenvoudige obelisk staat maar voor een ruimteschip, dan zou die hiëroglief ‘rakettenstad’ betekenen of letterlijker ‘plaats vanwaar de sterrengoden opstegen en afdaalden in hun obeliskvormige raketten’. Hier dringt zich de vraag op : was er eerst slechts een eenvoudige houten pilaar in de woestijn opgericht, waaromheen vervolgens een stad werd gebouwd, of was de pilaar het symbool voor een op die plaats geland raketachtig ruimtetuig? Als men dat laatste aanneemt, dan lijkt piramidespreuk 1143 veel eenvoudiger te interpreteren dan wanneer men ervan uitgaat dat het ging om een primitieve, vereerde houten pilaar dan wel de plug door middel waarvan hij aan het hemelplafond vastgepind zou zijn geweest’. ‘Ik neem de hemel in bezit, zijn pilaren en zijn sterren.’
Welke interpretatie verdient hier de voorkeur? Een aan het hemelplafond vastgepinde verbinding met de aarde of een raket?
De afzonderlijke punten op een rijtje zettend, levert dat het volgende totaalbeeld op, dat geheel vrij van inconsistenties, pleit voor de nabootsing van een raket.
Technologisch onwetende inheemsen zien een vliegend object landen en opstijgen. Zij maken stenen nabootsingen, zoals inheemsen in onze tijd met hout en stro (cargo-cultus) vliegtuigen nabouwen.
De top van de pilaar wordt met koper of elektron bedekt, opdat hij net zo zou schitteren als het metalen hemelvoertuig. De oerbewoners van Egypte, mensen die in de eindtijd van het Stenen Tijdperk leefden, duiden het ruimtevaartuig aan als benben, ‘een soort harde steen’. Die vergelijking beschrijft naar hun begrippen het beste hoe sterk, hoe compact dat vreemde object was. Het woord benben betekent voor hen ‘glanzen, schitteren, uitvloeien, naar de hemel opschieten’ en verwijst daarmee naar de verschijnselen die zij bij het opstijgen van het ruimtetuig waarnamen. Met behulp van een andere term, namelijk thn/thnj (techen/techenj) brengen ze onder woorden dat het speerachtige object in zijn vlucht naar het scheen de ‘hemel verwondde’ en het ook ‘onafgebroken, gelijkmatig neerdaalde, omlaag gleed’. De Egyptenaren gebruikten daarvoor een schriftteken, het beeld van de stier, die met kracht de hemel doorsteekt. Opdat het verband voor iedereen zichtbaar zou zijn , verbinden ze dat teken met de obelisk. De omhoog wijzende vorm van het object en het vliegen door de ruimte symboliseert voor hen de wisselwerking tussen hemel en aarde. De god Min, de god van de donder, wordt eveneens in deze keten van associaties opgenomen. De uitbeelding van het godenvoertuig wordt met het teken van Min verbonden om daarmee te verwijzen naar het oorverdovende, donderachtige lawaai dat een raket bij zijn lancering en landing maakte. Parallellen hiermee zijn bvb. Te vinden in de Indische veda’s en in delen van het Oude Testament. Het opstijgen en landen van ‘hemelvorsten’ en van Jahwe wordt eveneens met de donder vergeleken. Andere volkeren, zoals de Kafirs, noemen hetzelfde object ‘bliksemschicht’ en vertellen eveneens dat het met vuur en donderend lawaai uit de hemel uit de hemel was neergedaald en dat er ‘goden’ uit te voorschijn kwamen. F kijk naar de god Shiva, van wie de Hindoes zeggen dat hij na zijn afdaling uit de hemel uit de ‘lingam’ was gestapt. De god Re, volgens deze interpretatie een buitenaards wezen, was de commandant van het ruimteschip. Hij landde in de later zo genoemde ‘ioen-stad’. Daar werd een soort hangar, het benben-huis, voor de raket gebouwd. Re regeert enige tijd in Egypte en sticht uit het niets een eerste hoogontwikkelde cultuur in het land aan de Nijl. In de mythologie wordt Re een god, die in zijn benben naar de aarde was afgedaald, die ‘straalde als de zon’, zoals ze ‘opging’. Ook wordt gewag gemaakt van zijn vluchten door de ruimte, die hij met zijn hemelse ‘bark’, zijn ‘hemelse zonneboot’ ondernam.

De oer-obelisk benben

Uit teksten weten we dat de Egyptenaren de vorm van de (van een deel ervan) van de zo genoemde ‘bnbn’ (benben-steen) afleiden. Dat er inderdaad zo’n oerobelisk geweest is, kan (nog) niet met archeologische vondsten worden aangetoond. Maar de hiërogliefen bevestigen zijn bestaan. In de egyptologie leidt men uit het schriftelijk vastgelegde beeldteken de oorspronkelijke vorm of eigenschap van een object of stof af. Dat is ook een legitieme methode, omdat hiërogliefen – net als de Chineese schrifttekens – rechtstreeks aan de waarneembare wereld werden ontleend. Zo werden water door een golvende lijn uitgebeeld, een piramide door een driehoek en de benben had een spits of conisch toelopende vorm.
De benben zou volgens Oudegyptische mythen in Heliopolis ((jwnw (ioenoe) genoemd) hebben gestaan. De mythe van de benben wortelt in de eerste drie dynastieën (2900-2400 vc). De benben zelf was volgens de overlevering een object dat uit de hemel naar de aarde afdaalde. In de benben bevond zich de god Re (later Atoem genaamd), die heerser werd over Egypte.hun goden hadden persoonlijk het land langs de Nijl geregeerd, en als men iets oerouds wenste aan te duiden zie men dat het al “sinds de tijd van Re” bestond. Over Re staat in de piramideteksten (5de koningsdynastie) het volgende geschreven: ‘Gij zijt verschenen als benben(steen)’. De obelisk was in die voorstelling de woning van de godheid.
Bnbn – wat betekent dat woord nu? Etymologisch valt het niet ondubbelzinnig te identificeren. Enerzijds wijst het medeklinkerpaar ‘bn’ op ‘steen’, en inderdaad bestaat sinds de piramidentijd het woord bn met de betekenis ‘soort steen’. Tijdens de periode van het middelste rijk (2040-1537 vc) vindt het woord bnw.t (benoet), dat ‘een soort harde steen’ betekent, ingang in de literatuur. Toch is men tegenwoordig geneigd om het zelfstandig naamwoord bnbn af te leiden van het werkwoord wbn (oeben). Dat woord heeft de betekenis van “opgaan” , “glanzen”, “schitteren” en ook “schijnen” –van de zon en de sterren (prof. Ermann en prof. Grapow).
Erich von Däniken heeft in dit verband op een opmerkelijk feit gewzen. In de Jordaanse ruïnestad Petra, die hemelsbreed slechts 350 km van Heliopolis verwijderd ligt, werd sinds de oudste tijden de maangod Dushara aanbeden. Zijn symbool was het conische steenblok of de obelisk. De Nabateeërs, de stichters van de stad Petra, stelden zich Dushara voor als ‘hemels en niet van de aarde’. Hij bewoog zich voort in iets als een steen.
Laten we na deze beschouwing eens kijken naar de traditionele these en daar een moderne antithese tegenover plaatsen:

1. De obelisk is een steen met een mythische betekenis en verwijst naar de zon.
2. De obelisk symboliseert een soort raket, waarmee Re ooit uit de hemel naar de aarde kwam, om vervolgens het zijne tot het ontstaan van de hoogontwikkelde Egyptische cultuur bij te dragen. Het waarschijnlijk metalen ruimteschip werd, vanwege de hardheid en vuurbestendigheid van het materiaal waaruit het bestond, aangeduid als een ‘soort harde steen’ die ‘glanst’ en ‘naar de hemel omhoog schiet’.

Die laatste zienswijze valt goed in overeenstemming te brengen met het feit dat de punt van de obelisk, het piramidion, sinds het oude rijk bnbn.t (benbenet) werd genoemd. De gelijkenis met de Apollo-capsules valt nauwelijks over het hoofd te zien. Soms werden op het piramidion goden zittend of staand afgebeeld, zoals astronauten in een ruimtecapsule. Het piramidion was verder met koper of elektron (een legering van goud en zilver) bekleed, zodat het bij de ochtendstond schitterde. De associatie met stralend licht is wellicht te herleiden tot de imponerende lancering van een ruimtevaartuig. Verder is er een interessante afbeelding waarop de benben samen met de godheid Min wordt weergegeven. Min was de god van de donder. Laten we de verschillende zienswijzen nog es samenvatten.

1. Egyptologen menen: ‘de obelisk past uitstekend bij de benbensteen die een meteoriet kan zijn geweest, en, evenals de Kaäba in Mekka, vanwege zijn hemelse afkomst werd vereerd.
2. Moderne antithese: de associatie met stralend licht en het nauwe verband met de god van de donder doen sterk denken aan de visuele en akoestische bijverschijnselen van een raketlancering of – landing. De hemelse herkomst spreekt dan vanzelf. Bovendien lijkt een obelisk helemaal niet op een meteoriet (de Egyptenaren bewaarden zo’n hemelsteen in het Ammonium in de oase Siva), maar juist wel op een raket.

De benben, dat ‘geheime object’, werd in een speciaal daarvoor opgetrokken gebouw, de h.tbnbn (hoet-beneben), d.w.z. het benben-huis in Heliopolis, bewaard.
In de piramidespreuk § 1652 valt te lezen: ‘Atoem-Chepre, gij waart hoog als een heuvel. Ge waart verschenen als benben in het benben-huis in Heliopolis/Ioenoe'’ en '‘en bnbn is in het huis van Sokar.'’
Dat huis van de benben was waarschijnlijk identiek aan het zonneheiligdom van Heliopolis. De andere zonneheiligdommen van het oude rijk waren waarschijnlijk kopieën van dat oudste cultusoord. Een dergelijk heiligdom, dat van koning Weserkaf, schijnt te zijn afgebeeld op een marmeren schaal die men op Kythera (Grieks eiland), Heeft gevonden.
Volgens een overlevering zouden twee groepen goden de benben in een benben-huis bewaakt hebben. Vier goden die ‘het geheim bezitten’ hielden in het gebouw zelf toezicht op de benben, en acht anderen hielden buiten de wacht. In het Egyptisch Dodenboek worden twaalf goden ook wel ‘roeiers van Re’ genoemd, die de hemelse ‘boot der miljoenen jaren’ doen varen. De goden hebben ook tot taak vlammen voor Re’s boot op te wekken. Hoe het benben-huis eruit gezien kan hebben, daarover kunnen we slechts speculeren. We beschikken wat dit betreft wederom slechts over een hiëroglief, die nauw verband houdt met het ‘Hoge Zand’, een soort ringwal in Heliopolis. Deze werd beschouwd als een kopie van de mythische oerberg, die uit de scheppingsvloed verrezen was en Vlammeneilend werd genoemd.
In het tweede Oudegyptische zonneheiligdom Aboe Goerab, dat farao Niuser-Re liet bouwen, stond de obelisk op een kunstmatig gevormde heuvel (nabootsing va n het vlammeneiland).
De verhalen rond de benben-steen en zijn hemelse oorsprong zijn in ieder geval belangrijke bouwstenen voor zowel de Egyptische kosmologie als het paleo-SETI-onderzoek.
Het beeld wordt steeds duidelijker. Maar er is meer. In de hiëroglief van h.tben bevindt zich naast de benben-steen een vogel. De bnw (benoe) wordt in de literatuur als ‘heilige, als de zon stralende vogel Feniks opgevoerd; in de piramideteksten wordt hij met de god Re in verband gebracht, en in het Egyptische Dodenboek als morgenster of als de gedaante van Osiris geïnterpreteerd’.
Rond de Feniks bestaat de mythe van het adelaarachtige wezen dat zich om de vijfhonderd jaar naar Heliopolis begaf en uit zijn eigen as herboren opsteeg. De Feniks, die ook in de alchemistische literatuur van latere millennia het symbool voor onsterfelijkheid was en als zodanig in de middeleeuwse graalliteratuur ingang vond, was geenszins van Griekse origine. De naam is waarschijnlijk ontstaan door een fout van de Grieken, die het in 323 vc ongeveer als boine uitgesproken bnw verkeerd weergaven.
Interessant is nu dat we onder de hiërogliefen ook beeldtekens aantreffen warin de Feniks op het piramidion zittend is afgebeeld: ‘Hij is de vogel van het licht, waarin de zonnegod Re zich manifesteert.’ De mythe van de uit zijn eigen as verrijzende en opstijgende vogel, verbonden met de benben, is in de egyptologie tot nu toe als volgt uitgelegd:

1. ‘De spitse steen, de punt van de obelisk, maakt in de Egyptische zienswijze deel uit van het lichtaspect van de vogel, is dus mutatis mutandis een "zetel van de ziel".’
2. De moderne antithese: de vogel is in Egypte een oud symbool voor vliegen of kunnen vliegen. Met het beeld van de neerdalende vogel wordt een connectie gelegd met het gelande (daarvoor vliegende) ruimteschip. De vogel van het licht staat voor het opstijgende en dalende godenvoertuig. De uit zijn eigen as opstijgende Feniks symboliseert de op het lanceerplatform ontstane verbrandingsprocessen (as), waaruit met een zekere regelmaat een en hetzelfde vliegtoestel naar de hemel opsteeg en –tot algemene verbazing van de Egyptenaren – toch niet verbrandde.

Overigens wordt ook bij de Toradja’s het symbool van de hemelvogel in verband gebracht met uit de kosmos gekomen ijzeren huizen. En het zelfde zinnebeeld kennen we uit de Afrikaanse staat Zimbabwe. Tegenwoordig is deze vogel het nationale symbool van dit land. Oorspronkelijk bevond het zich op obeliskachtige stenen. Eén van deze stenen is echter ook voorzien van een runderkop (zoals we die van op een obelisk betrekking hebbende hiërogliefen kennen) die als een stier hemelwaarts stormt.

De comeback van de obelisk en de goden vaartuigen

Toen deze voorstelling in 1992 gepubliceerd werd, wierp men tegen dat het toch ‘onmogelijk is dat –als de obelisk een nabootsing van een raket zou zijn - die raket niet alleen zou kunnen starten maar ook weer zou kunnen landen. Dat is klinkklare nonsens. Een spaceshuttle zou dat kunnen, maar een raket nooit.’
Een jaar later al moesten deze critici hun oordeel ‘onmogelijk’ nog eens heroverwegen. In 1993 werd op het NASA-proefterrein, de eerste DC-X (Delta Clipper Experimental, het prototype van een ééntrapsraket) gelanceerd. ‘Het was de comeback van de obelisk! Wat zich daar met veel vuur, rook en gedonder van een klein lanceerplatform verhief, een berg van vlammen achter zich latend, zag eruit als de benben-steen van de oude Egyptenaren. En zoals de hiërogliefen beschrijven, landde deze zilverachtig glimmende zuil – nog altijd rijdend op zijn vuurstaart - weer op aarde. De ze raket werd ontwikkeld door McDonnell Douglas Aerospace.
Na slecht 2 jaar en met een relatief bescheiden budget van achtenvijftig miljoen dollar waren de raketingenieurs erin geslaagd om een droom werkelijkheid te laten worden: de constructie van een herbruikbare raket. Deze moest van vier draaibare aandrijfsystemen worden voorzien om in elke gewenste richting gemanoeuvreerd te kunnen worden. Aërodynamische overwegingen (plaatsing van de brandstoftanks, zwaartepunt enz..) leidden tenslotte tot een markant ontwerp. Tussen de landing en het weer startklaar zijn ligt slechts één week met 35 man aan grondpersoneel. Het onderhoud vindt plaats in een speciale hangar, die op korte afstand van de startplaats staat.
Zie je nu een overeenkomst??
Ook de tempeltorens van het vroege en huidige Indiase hindoeïsme vertonen overeenkomsten met raketten. De heilige godenbouwsels van de Indiërs zijn ratha of vimâna. Vimâna betekent ‘godenvaartuig’. Ratha kan vertaald worden met ‘hemelschip’. Vliegtuigen worden in het hedendaagse India nog altijd vimân genoemd. Het geschiedepos Mahâbhârata verhaalt niet alleen over ruimtestations die in banen om de aarde draaien, maar beschrijft ook ‘lichtende hemelwagens, die in formatie langs de onbewolkte hemel zeilen’ en ‘dalende wagens die in een gouden glans uit de verten van de hemel komen’. In de ‘Budhasvamin Brihat Katha Shlokasamgraha’ leest men:

’s morgens, onder een onbewolkte hemel, hoorden de asceten een donderend gerommel, dat de atmosfeer vulde. ‘Wat is dat?’ vroegen zij aan het vliegende wezen. ‘Het is het lawaai van de trommels van de vliegende reizigers die zich in de buik van hun wagen bevinden, men hoort ze als het rommelen van de donder…als een storm van trommels over de paden van de hemel.’
Georgios Tsoukalos wijst op de buitengewone overeenkomst met de DC-X, dan meent men op het eerste gezicht het beeld van een in rook en vuur gehulde ratha/vimâna te zien. Fascinerend is dat deze Delta Clipper uiterlijke als twee druppels water op oude Indiase tempels lijkt. Ook de zogenaamde lingam van de god Shiva vertoont een opvallende gelijkenis met de DC-X. Deze lingam is een cilindervormige steen, hij symboliseert de vuurzuil waarmee Shiva uit de hemel naar de aarde afdaalde, en is een zinnebeeld van kosmische kracht. Er bestaan afbeeldingen waarop de godheid uit een opening in de conische stenen zuil te voorschijn komt nadat hij op aarde is geland. Zulke verhalen zijn er ook over de gog Re in Egypte. In India wordt ook nu nog in de tempels bij de lingam van Shiva onder de vimâna-afbeeldingen het ‘kosmische vuur’ ontstoken, waarvan het geheim oorspronkelijk alleen aan de Bhrigu’s, machtige priesters, bekend was. De overlevering verhaalt dat het slechts door dat vuur mogelijk was de regelmatige verbinding tussen de goden en de mensen te onderhouden. Hadden de oude Indiërs alleen een boeiende fantasie of kan men zeggen dat de geschiedenis zich herhaald?

Raketten uit de steentijd

Want wie niet is ingewijd
kan de verborgen dingen niet begrijpen…
Uit het Egyptisch dodenboek

Obelisken en menhirs, stenen naalden, steken in de bodem alsof de aarde een acupunctuurbehandeling krijgt en krabben boven aan de hemel. Ze maakten op de mensen van de steentijd evenveel indruk als op de hedendaagse toeschouwers. Symbolen van en voor de goden waren het.Waarom komt men ze overal tegen, waren zij het resultaat van technische voorbeelden?

30 April 1586, gestaag verheft voor het eerst sinds de oudheid een slanke, gigantische obelisk naar de hemel boven Rome, midden op het Sint Pietersplein.
De obelisken hebben door millennia heen mensen van vele volkeren gefascineerd. Maar wat lag er aan de grondslag van hun creatie? Welke betekenis hadden ze duizenden jaren geleden? Obeliskachtige stenen gevaarten komen we ook tegen op Sulawesi. Zat daar het zelfde idee achter? Volgens de onderzoeker Erich von Däniken is de laatste tijd meermaals het vermoeden geuit dat de Oudegyptische obelisken evenals de menhirs stenen nabootsingen zijn van prehistorische raketten. Zijn er aanwijzingen voor de juistheid van deze hypothese te vinden of is ze geheel en al uit de lucht gegrepen? Obelisk stamt uit het Grieks “obeliskos’ en werd pas zeer veel later voor de slanke stenen zuilen gebruikt. Obelos betekent “spies, spitse zuil, braadspit”.
De vroege Arabische schrijvers gebruikten de term “misallat Fir aun”, wat grote naald van de farao betekent, en “ajn asch-schems”, waarvan de vertaling ‘bronnen van de zon luidt. Die namen helpen ons niet veel verder.
Het Oudegyptische woord voor een spitse zuil is “thn” uitgesproken als ‘techen’. Dat is een afleiding van het werkwoord “thnj” (techenj), wat het oog, de oogappel kwetsen, de hemel verwonden betekent.
De egyptoloog H. Spielberg vertaalt dan ook een inscriptie uit de piramidetekst als volgt :

‘Twee grote obelisken staan buiten stevig verankerd voor hen [de godinnen Isis en Nephthys] en doorsnijden de wolken van de hemel.’

Er dienen zich nu wel twee tegengestelde hypothesen aan:

1. Het gaat om een metafoor, zoals ons moderne begrip ‘wolkenkrabber’. Dat zou de traditionele betekenis zijn.
2. Er is zeker sprake van een metafoor, maar dan in de zin van een raket, want een raketachtig object ‘kwetste’, ‘doorboorde’ bij een lancering in prehistorische tijden schijnbaar de hemel.

De egyptoloog K. Martin leidt ‘thn’ af van het werkwoord ‘hnj’ wat betekent, omlaag zweven. De ‘t’ moet hier als eerste lettergreep worden beschouwd en verwijst naar de continuïteit van de gebeurtenis. Wederom zijn er twee zienswijzen mogelijk.

1. De obelisk wordt de symbolische weergave van de “stroom van genade “ van de hemel naar de aarde gezien, terwijl door zijn naar boven wijzen tot in de hemel, tot aan de zon…de wisselwerking tussen aarde en hemel gesymboliseerd wordt, die voor het gedijen van het land noodzakelijk was en tot competentie van de koning behoorde. Het is eenvoudig een abstract beeld voor de koning en diens rol (K. Martin 1977).
2. Er kan hier verwezen worden naar een daadwerkelijk waargenomen gebeurtenis: de landing van een uit de hemel afkomstig ruimteschip op aarde. De obelisk was een nabootsing van dat raketachtige voertuig. Later werd het naar boven wijzen van de obelisk tot in de hemel en naar de zon en zijn terugkeer vandaar naar de aarde ook als symbool voor de wisselwerking tussen hemel en aarde gebruikt. De eeuwen later in het nieuwe rijk (ca. 1550-1080 vc), gebruikte men termen ‘mn’ (men) en ‘mnw’ (menoe), die respectievelijk ‘blijven’ en ‘gedenkteken’ betekenen. Dit zou de andere kant van de verklaring kunnen zijn. Een obelisk werd namelijk ter blijvende herinnering aan een uitzonderlijke gebeurtenis opgericht. Vergelijkbare praktijken kennen we uit de cargo-culten van onze tijd.

De megalietenperiode bij de Toradja’s

In populair-wetenschappelijke geschriften, maar ook in semi-academische reisgidsen, wordt vaak op de vermeende fallische betekenis van obelisken gewezen (een reddingsboei voor sommige wetenschappers) .
De Toradja-samenleving is de laatste nog overblijvende megalietencultuur.
Langs de wegen, in dorpen en soms vrijwel overwoekerd in ontoegankelijke gebieden komt men deze megalithische structuren tegen. Ze staan in kringen, in een rij of apart. Sommige van deze cilindrische stenen zijn tussen de vier à zeven meter hoog. Soms lijken ze rechtstreeks uit de vroegste periode van Egypte of Europa te stammen, met dit verschil dat ze bij de Toradja’s nog onlosmakelijk met religieuze culten verbonden zijn.
Sulawesi heeft verschillende megalietenperioden gekend, de oudste zou 4000 à 7000 jaren in het verleden hebben gelegen en zijn begonnen in het Neolithicum (nieuwe steentijd).
In Rantepao op de hellingen van het Sesean-gebergte staat één van deze oude heiligdommen, het moet ongeveer 900 jaar oud zijn. De oorspronkelijke functie ervan kon niet bepaald worden, maar de huidige betekenis is duidelijk: op die mystieke plek vieren animisten nog altijd hun traditionele rituelen.